Jan Cremer

Uit Wikiquote
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jan Cremer, 2008
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo-v2.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
DBNL pagina in DBNL
IMDb pagina in IMDb
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Jan Cremer (20 april 1940 -) is een Nederlands schrijver en ontwikkelde zich later vooral tot beeldend kunstenaar in met name de abstracte schilderkunst.

Citaten van Jan Cremer - chronologisch[bewerken]

Citaten tot 1990[bewerken]

  • „Wij zijn de woeste wolven. Wij lachen om de oude beschimmelde gefortuneerde heren, die zorgvuldig de verf van hun vingers wrijven, hun bedroefde bril oppoetsen, sterven. We hebben genoeg van hun verfijnde kleurengammas. Het is allemaal rotzooi, estetika. Ik sodemieter verf op een doek, ik druip, spat, sla, schop, ik vecht met verf en soms win ik.”
  • Bron: Jan Cremer / Hans Wesseling, manifest 'Op beschadigde poten lopen', bij expositie 'Peinture Barbarisme' in Galerie Cinq Mouches, Amsterdam, 1959
  • Aanhaling(en): Vincent Moleveld, 'Cremer in Verf 1954-2014: kunstnozem is zijn wilde haren nog niet verloren', website onlinegallery, 8 oktober 2015
  • Als puber vertrok Cremer al naar Parijs met wat verf en kwasten; dat werk deed denken aan Cobra en werd al aangekocht door Willem Sandberg. Cremer assisteerde toen Karel Appel die heel vergelijkbare woorden gebruikte
  • „Wat u van avond gaat zien is 'n flauw aftrekseltje! Plagiaat van de alom bekende niets ontziende happenings uit New York en Parijs. Nederland is een bijzonder klein landje waar bijzonder kleine mensen en kleine dingen de meest mogelijke aandacht krijgen! [..] Maar laat u niet verneuken. Het is niks, het wordt niks en het stelt niks voor. Happenings, woelige openingen met bloederige tafrelen, massahysterie, semipornografische manifestaties, geënsceneerde moordpartijen, theaterplays met necrofilie, kunnen alleen maar uitgelokt worden door mij en C.B. Vaandrager, Simon Vinkenoog, Hans Verhagen en Sleutelaar e.a. Dus: ODE AAN MIJ!”
  • „U wordt te woord gestaan op / arrogante minachtende toon [op het Nederlandse consulaat, in Spanje] / door 'n roodharige met 'n volgevreten / boeregezicht, die u, staande aan / de balie ('n zitplaats wordt u niet / aangeboden) op zijn gemak zittend / in een stoel, en geschriften door- / bladerend, erop wijst, dat u / eigenlijk beter kunt opsodemieteren, inpl. / van hun lastig te vallen (volgevreten papgezicht. // de eerste keer, dat ik op het consu- / laat kwam, werden wij minach- / tend // er zijn toch wel andere / mensen te krijgen voor werk / dan deze zure hengsten? [..] / ongetwijfeld, ga / ik dit in mijn / boek verwerken..”
  • „Ik wed dat als ik morgen in een knalgeel pak met een paars petje een schilderij ga maken tijdens een voetbalwedstrijd, dat volgende week de voetbalvelden vol zullen staan met schilderende jongens gekleed in knalgele pakken met paarse petjes.”
  • „Ik hou van Loes Hamel, maar het lukt niet. De liefde: dat is mijn enige probleem. Ja, begrijp me goed: vrouwen genoeg, de mooiste, topmodellen. Ik ben een half jaar verloofd geweest met Melanie Hampshire, Engels topmodel [..]. Maar bovendien: Ik ben gehaat in Holland. Toen ik ging schilderen zei iedereen hier: hij kan niet schilderen. Maar ik kon het wel en ik had nu de beroemdste schilder van de wereld kunnen zijn. Maar schilderen, schilders, dat is mijn wereldje niet zo. In '58 [1958] kondigde ik aan een boek te gaan schrijven. Iedereen lachte: dat kan hij toch niet. Maar het boek kwam en werd een bestseller.”
  • Bron: HP/Haagse Post, 'Cremer incognito : de droom van een Hollandse jongen', 27 augustus 1966
  • Aanhaling(en): Levenlang.nl, 'Jan Cremer, interviews', website Een Leven lang - Auteursportretten in Woord en Beeld
  • In die tijd had Jan Cremer in Amerika contact met de moderne schilders daar, zoals Willem de Kooning en Andy Warhol, maar hij was nog niet overtuigd van zijn eigen schilderen; dat kwam later op gang
  • „M'n eerste drie boeken schreef ik in steden, tussen steden en beton, cognac en whisky. Nu is dat alles veranderd. Ik trek me terug in enorme eenzaamheid: natuur, paarden, zonsopgangen, ochtendmist, geluid van kwetterende vogels, geklingel van kerkklokken aan de verre einder, gerammel van melkbussen op boerenwagens, gebas van waakhonden..”
  • Bron: Het Parool, 9 januari 1971
  • Aanhaling(en): Levenlang.nl, 'Jan Cremer, interviews', website Een Leven lang - Auteursportretten in Woord en Beeld']
  • „Helaas kan ik goed schrijven en prachtig schilderen. Daar moet ik dus mijn brood mee verdienen; want je dient je talenten te gebruiken, die je hebt gekregen. Anders was ik zeker bij te marechaussee gegaan. Grensbewaking. Streng maar rechtvaardig. Ik ben opgegroeid in Enschede, vlak bij de [Duitse] grens. De grens, dat is een mystiek iets voor mij. Landsgrenzen zijn onzichtbare, heilige strepen. Littekens van te oorlog. [..] Als ik aan de grens kom, word ik met veel vertoon begroet door mijn vrienden bij de douane en de marechaussee; dat zijn mijn lezers. Dat doet goed.”
  • Bron: Ischa Meijer, interview 'De Hun', in De Volkskrant, 28 januari 1984; later opgenomen in De interviewer en de schrijvers, 2003, pp. 230-233
  • Aanhaling(en): Levenlang.nl, 'Jan Cremer, interviews', website Een Leven lang - Auteursportretten in Woord en Beeld'
  • Ischa Meijer interviewde Jan Cremer kort na de publicatie van zijn boek De Hunnen (3 delen) in 1984
Citaten uit interview met Ischa Meijer, 28 januari 1984
  • De citaten uit dit interview geven bijzonderheden over het jongere leven van Jan Cremer
  • „Wij behoorden tot de eerste bewoners van het Acasiaplantsoen in de fabrieksstad Enschede. Een nieuwbouwbuurt uit 1945, waar overwegend turfstekers kwamen wonen die in de textiel gingen werken [..] Ik had een Hongaarse moeder. Wij waren frömden, vreemdelingen. Mijn vriendjes mochten niet bij mij over huis komen, ik was niet welkom bij hen. Dit [buur]jongetje zijn liefste wens was om eens bij mijn moeder in de pannen te mogen kijken. Er gingen namelijk verhalen, dat wij bloedsoep aten en varkenskoppen.”
  • „Op mijn vijfde al was het duidelijk dat ik mij tot een groot kunstenaar zou ontwikkelen. Ik heb nooit zakgeld gehad van mijn moeder. Als jongetje verdiende ik geld door tekeningen te verkopen, voor een appel of een ei. Beeldend kunstenaar, schrijver en journalist - dat heeft mij van jongs af aan voor ogen gestaan.”
  • „Aan de overkant bij ons woonde Pa Nijgh, een heuse kunstschilder. Soms mocht ik op zijn atelier komen, als ik maar stil in een hoekje bleef zitten. Daar zag ik afbeeldingen van Degas. Die kleuren, die balletmeiden ook: prachtig! Bovendien vond ik de geur van verf meteen al prikkelend, magisch, mystiek, mysterieus.”
  • „Ik wilde tevens in het voetspoor van mijn vader treden. Die was smid, ontdekkingsreiziger en auteur van reisbrieven. Dat was voor mij: De Schrijver. Er lagen bij ons thuis allerlei manuscripten van hem. Hij is overleden toen ik twee was. Ik ken hem alleen uit verhalen.”
  • Cremer duidde vaker met het beschrijven van de bezigheden van zijn vader de wortels aan van zijn eigen schrijverschap
  • „Mei 1960 zat ik op een kunstacademie in Parijs. Ik had een scooter en veel motoren - daar gaf ik al mijn geld aan uit. 's Nachts werkte ik in de Hallen, om mijn kamerhuur te betalen en wat eten. Ik heb nooit steun gehad van de Nederlandse regering. Dat ik in Parijs kon studeren kwam door een beurs van de Fransen.”
  • „Bij elkaar zal ik tot 1972 niet meer dan een krap jaar geschreven hebben; zeven boeken. Vervolgens heb ik elf jaar aan mijn nieuwe werk geploeterd. Die elf jaar, dat is geweest: de volledige kluistering aan een Ideaal. Het Boek. Wat daarvóór uitgekomen is, heeft de snelheid van de jeugd.”
  • „Op mijn veertiende ben ik van huis weggelopen! Ik ben ook een periode in Frankrijk geweest, en Algerije. Eind 1958 kwam ik terug naar Nederland. Van de Voogdijraad, waaronder ik als Rijkspupil viel, mocht ik toen naar de [Kunst]-Akademie in Den Haag. Dit onder de gestrenge voorwaarde, dat ik in een Jeugdtehuis zou overnachten en er de maaltijden zou gebruiken. Dat was in Scheveningen. In de zomer verdiende ik er dan nog een beetje bij door op het strand te werken:”
  • „De periode van mijn veertiende tot aan de publicatie van mijn eersteling - dat is een heel mensenleven. Ik was 22 toen ik beroemd werd. De twintig jaar die daarop gevolgd zijn, verliepen veel sneller. Daarvoor leefde ik intenser; waar ik toen een jaar voor nodig had, zou ik nu nog niet in tienmaal twaalf maanden voor mekaar kunnen boksen.”
  • Bron: Ischa Meijer, interview, januari 1984
  • Aanhaling(en): Connie Palmen Ischa Meijer, De interviewer en de schrijvers, red. Connie Palmen; Prometheus, Amsterdam 2003, pp. 230-234

  • „Ik schilder niet volgens een idee, want ideeën zijn waardeloos, [..] Ik wil alleen maar lekker verven: ik ben toch immers een gewone jongen en al die flauwekul van kunst en hogere ideeën kan me gestolen worden.”

Citaten vanaf 1990[bewerken]

  • „Plannen en materiaal genoeg jongen, wees niet bevreesd. [..] Mijn reisverhalen over de tropen ga ik nog een keer bundelen. Nu mijn moeder is gestorven, denk ik ook aan een boek over haar. Schilderen wil ik natuurlijk. Olijfgaarden beheren, olijfolie produceren. En in Toscane wil ik de Cremer Kunstacademie oprichten: schilderles geven. Ik heb veertig jaar ervaring en weet veel van materialen. Ik kan ze laten voelen dat olieverf, die nog honderden jaren doorleeft, bestaat uit levende wezentjes. Schilderen is alchemie.”
  • Bron: Arjen Peters, interview 'Ik spring van de ene schots op de andere', De Volkskrant, 17 januari 2003
  • Aanhaling(en): Levenlang.nl, 'Jan Cremer, interviews', op website Een Leven lang - Auteursportretten in Woord en Beeld
  • Cremer had lange tijd zijn atelier in de Toscane in Italië waar hij veel kleurenlitho's en -zeefdrukken naar het Toscaanse landschap maakte; de academie daar is nooit opgericht
  • „Ik doe fysieke oefeningen hoe ik moet schilderen. En dán ga ik dat gevecht aan met het doek [..] Ik gebruik branders en blus de verf dan weer. Het linnen is een tegenstander [..] Ik praat tegen het doek, ik vecht met het doek.”
  • Bron: Daan van Lent interview 'Ik praat tegen het doek, ik vecht met het doek', NRC Handelsblad, april 2015
  • Aanhaling(en): Marieke Uildriks, Cremer – Noordwaarts 2010-2020, Waanders en Museum JAN (van der Togt), 2020
  • Een andere keer noemde Jan Cremer zich Abstract Expressionist; hij schildert in en met de materie van verf en doek
  • „Ik heb in de goot gelegen, ik ben verguisd, maar ik heb ook het allerhoogste bereikt met mijn boeken en schilderijen. Van de buitenkant lijkt mijn leven ongelooflijk avontuurlijk. Wat mensen vergeten, is dat ik altijd aan het werk ben en vasthoud aan mijn doelen. [..] Als ik schilder of schrijf, zijn er geen grenzen”
  • „Of ik nou in Umbrië ben of in Cape Cod, altijd maak ik schetsen van de zee. De zee geeft rust. Van alles projecteer ik op die enorme vlakte. Als ik naar een zee kijk, reis ik in mijn hoofd. Dat kan naar een ver land zijn, of naar het verleden. De zee is mijn ideale nooduitgang. [..]Schrijven stemt mij melancholiek. Schilderen maakt juist de driften los. Ik boetseer meer dan dat ik een penseel gebruik. Dat begint al als ik de verf meng. Die geur van terpentijn en lijnolie, van verf. Heerlijk. Ik kan dan ook niet meer stoppen. Soms slaap ik zelfs tussen mijn doeken.”

Citaten over Jan Cremer[bewerken]

  • „Jan Cremer loopt de laatste weken [..] namelijk met een ideaal rond de stichting van een "culturele nozemgroep". Voor dit doel zocht en vond de primitieve barbaar contact met een figuur, die misschien nog minder kostelijk, nog minder ongevaarlijk is: de Amsterdamse, 30-jarige dichter-schilder Armando. Onder deze naam gaat een verderfelijke combinatie schuil van primitiviteit en intellect, een combinatie waar steeds meer jongeren met bewondering naar kijken.”
  • Bron: Armando, coverstory 'Van barricade naar Binnenhof?', in Haagse Carrousel, 10 december 1960
  • Aanhaling(en): K. Beekman, 'Armando & Jan Cremer', in Literatuur. Jaargang 12, 1995, p. 314
  • Armando schreef over zichzelf, dat 'Het Beest' Cremer en hijzelf elkaar hadden gevonden; Den Haag was in die tijd een echte Nozem-stad met veel nozem-groepen, die elkaar en anderen regelmatig te lijf gingen
  • „De degelijke Hollandse ernst, erfdeel van haast vier eeuwen Calvinisme, geflankeerd door een lovenswaardige neiging tot eigen onderzoek, is er vermoedelijk de oorzaak van, dat ginds op het literaire jongerenforum de toon wordt aangegeven door hen, die de brutaalste bek opzetten.[..] Men zou haast zeggen dat deze heerlijkeerlijke vagebond, opschepper, avonturier en mogelijk geniale mythomaan in de literaire achterbuurten van domineesland als de voltrekker van een door het goddelijk bestier in het leven geroepen artistieke gerechtigheid verschijnt.”
  • „Een regering als de onze, die een boek als Ik, Jan Cremer heeft toegelaten en niet als aanstotelijk voor de eerbaarheid - met toepassing van de desbetreffende strafwetsbepaling - in beslag heeft doen nemen, verdient eenvoudig weggejaagd te worden [..] Een maatschappij die ons steeds weer confronteert met de deformatie van Gods werk, met het zinloze protest van de mensen dat er altijd is geweest tegen God, met wat ik indirect het werk van de duivel zou willen noemen, zo'n maatschappij is tot verderf gedoemd.”
  • Bron: L.R.J. Ridder van Rappard, toespraak als burgemeester van Gorinchem bij de opening van een tentoonstelling, 26 februari, 1965
  • Aanhaling(en): A. L. Constandse, 'Ons onkuis vaderlands verleden' in Kunst van Nu, augustus 1965 en De Gids, Jaargang 132, 1969, p. 76
  • Anton Constandse verwees naar al die voorgaande calvinistische voorvaderen in Nederland die hun toenmalige 'Jan Cremers' hebben gekend in de vele spotdichten en platte humor; hij wees censuur door de overheid af
  • „Ik ben erin begonnen [zijn eerste boek Ik, Jan Cremer ] maar ben er meteen mee opgehouden. Van die boer met de stinkende voeten is waar, maar z'n vader laat hij sterven in het katholieke ziekenhuis. Hij is in een gewoon ziekenhuis gestorven. Jan was twee, in 1942. Ik heb moeten sappelen dag en nacht. 't Schijnt dat ik in dat boek een smerige hoer ben. [..] [Ik] moet het bezuren. Ze bellen me op. Ze zeggen "Dag moeder van het beest." "Dag beestvrouw." Ik ben hier altijd de Duitse vrouw geweest, de moffin. Hier [Enschede] kom je er nooit in.”
  • Bron: Bibeb, interview 'De moeder van Jan Cremer: ik ben een gevangene', in Vrij Nederland, 15-01-1966
  • Aanhaling(en): Levenlang.nl, 'Jan Cremer, interviews', website Een Leven lang - Auteursportretten in Woord en Beeld
  • De moeder van Jan Cremer wordt door Bibeb van Vrij Nederland gevraagd wat ze van zijn eerste boek Ik Jan Cremer (1964) vond - twee jaar na de uitgifte
  • „Het is een portret van de vrijgevochten Hollandse jongen die zich niks laat vertellen en de dingen bij de naam noemt, die erop los beukt wanneer burgerlijke mannetjes hem willen dwarsbomen, een liefhebber van stevige, een beetje boerse seks met veel vrouwen, maar wel die ondertussen een reusachtig, romantisch bonkend hart in zijn borst draagt. Deze jongen op zijn motor staat voor vrijheid tegenover gezapigheid, eerlijkheid tegenover hypocrisie, bravoure tegenover braafheid. Hij staat, kortom, voor Holland tegen Nederland.”
  • „Hoewel Cremers zeegezichten niet verhalend zijn zit er wel vaak een verhaal aan vast. Tijdens zijn verblijf in Amerika was hij van 1965-1970 intens bevriend met de Nederlandse abstract-expressionistische schilder Willem de Kooning, wiens werk hij zeer bewonderde. Vanuit de Koonings atelier op Long Island fietsten ze regelmatig samen naar het uiterste puntje van het schiereiland, naar Montauk, om bij de befaamde aan Holland herinnerende vuurtoren de zon te zien opkomen. Ook bezochten ze bij wijze van bedevaart een kerkhofje met het graf van Hans Hoffman, een belangrijk grondlegger van het abstract-expressionisme. Anno 2007 schilderde Cremer zijn eerste herinnering aan die gedenkwaardige fietstochtjes. Op Montauk Sunrise (2007) heeft de dageraad een oscillerende gouden loper over de blauwgroene baren uitgerold, alsof je daarover naar Holland zou kunnen lopen.”
  • Bron: Rogier Ormeling, catalogustekst in Cremer, painter of the Sea, catalogus bij de expositie in het Scheepvaartmuseum Amsterdam en uitgeverij d'Jonge Hond, 2013
  • Aanhaling(en): Rogier Ormeling, 'Verlangen naar de Horizon/Longing for the Horizon: Jan Cremer, website Rogier Ormeling, 3 april, 2013
  • Hoewel de zee-impressies in zijn geheugen staan gegrift duurde het tot circa 2006-7 voordat hij de Zee in zijn schilderkunst begon te verwerken

Externe links[bewerken]

Galerij van werken[bewerken]