Naar inhoud springen

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Uit Wikiquote
Nieuwenhuis, ca. 1875.
Informatie bij zusterprojecten:
artikel in Wikipedia
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus

Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846–1919) was een Nederlands socialist en later anarchist.

De libertaire opvoeding (1899)

[bewerken]
  • „Wat de mens moet leren, dat is te leven. Dat verwondert u misschien, want gij zult zeggen: maar wij leven toch! Neen eigenlijk niet, althans wat de grote meerderheid betreft, wij leven niet, wij leiden een plantenleven, van ’s ochtends tot ’s avonds werken wij om zoveel te vergaren als ongeveer nodig is om de maag te vullen, dan slapen wij om onze krachten te herstellen en om nieuwe krachten op te doen om morgen ons werk te kunnen hervatten en zo gaat het steeds door tot de dood komt en ons wegneemt. Ik vraag u: is dat leven?”

De geschiedenis van het socialisme (1901)

[bewerken]
  • Vrijheid is op zichzelf een ding zonder inhoud, iets negatiefs. Vrijheid is de atmosfeer waarin men wil ademen en leven. Vrijheid is de vorm, waarvan de inhoud is gelijkheid. Deze twee behoren bij elkaar en vormen als het ware een twee-eenheid. De gelijkheid draagt de vrijheid in zich. Wie zal zich bv. aan een ander onderwerpen, als hij dit niet behoeft? Alleen zij, die gelijkelijk onafhankelijk zijn en toegerust met gelijke machtsmiddelen, zijn vrij. En waarom? Omdat zij gelijk zijn. De gelijkheid draagt dus de vrijheid in zich, want ongelijkheid betekent willekeur en knechtschap.”

Van christen tot anarchist (1910)

[bewerken]
  • „Overigens de ware vrijheid is verdraagzaamheid, is het verlenen van vrijheid aan anderen in de vaste overtuiging dat op den duur de vrijheid het meest zal winnen door de vrijheid.”
  • Bron: Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist, 1910, p. 66
  • Aanhaling(en): A.L. Constandse, "Ferdinand Domela Nieuwenhuis als opvoeder" in: De As. Anarcho-socialisties tijdschrift, dubbelnummer 39-40, mei/augustus 1979, p. 15