Naar inhoud springen

Johannes Bosboom

Uit Wikiquote
portret van Johannes Bosboom, geschilderd door Charles Dankmeijer, c. 1880
Informatie bij zusterprojecten:
artikel in Wikipedia
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Johannes Bosboom (Den Haag, 18 februari 1817 – 14 september, 1891) was een Nederlandse kunstschilder, bekend van zijn schilderijen van Nederlandse kerken.

Citaten van Johannes Bosboom - chronologisch

[bewerken]

tot 1870

[bewerken]
  • „..waarlijk, als ik soms van mijn werk onder de oogen krijg, dan heb ik een genre lief [het schilderen van kerken!], dat in den volsten zin des woords het mijne mag heten. [het woord 'mijne' is tweemaal onderstreept]”
  • „In de 'Kunstkronijk' kwam U mijn 'Kloostergang' onder de oogen; 't is naar een Teek[ening] die ik te Cleef naar de Natuur begon en waarvan nu de schilderij bijna gereed is. Ik geloof, gij kent Kleef [..] Bij datzelfde verblijf ontwierp ik eene schets in de Paardenposterij (waar de postwagens op Emmerik stallen). Ik maakte die later tot eene Teek[ening], een mijner beste, en ook daarvan staat de aanleg in olie gereed, om eerlang voltooid te worden. Als motief, aspect, effect, etc. bevalt het een ieder - 't is een echte stal, waar veel paarden in zijn, en toch hoef ik mij aan het schilderen der paarden niet te buiten te gaan. Zooals ze erin zijn, nemen zij het mysterieuse gedeelte in.”

na 1870

[bewerken]
  • „Als schoolknaap was de teekenles mij de liefste geworden en die lust werd niet weinig aangewakkerd, toen, omstreeks mijn twaalfde jaar, de stadsgezichtschilder B.J. van Hove onze buurman werd. Sinds dien tijd begon ik sterk te verlangen naar het oogenblik, waarop ik de schoolbank tegen een plaatsje in zijn atelier zou mogen verwisselen. Dat verlangen werd reeds bevredigd in het najaar van [18]31.”
  • „In [18]35 maakte ik met Salomon Verveer, die reeds het atelier van Van Hove had verlaten, een studiereisje over Utrecht en Nijmegen naar Dusseldorf, Keulen en Coblentz. Mijn schilderij 'Gezicht op de Moezelbrug te Coblentz' in datzelfde jaar hier tentoongesteld, werd door Andreas Schelfhout gekocht en, behalve de voldoening, die daarin voor mij was gelegen, mocht ik van toen af een raadsman in hem vinden, die mij sinds ook een vriend is geworden en gebleven.”
  • „In hetzelfde jaar [1835] had ik op de Expositie te Rotterdam gedebuteerd met 'de St. Janskerk te 's Hertogenbosch van binnen', die terstond een kooper vond [..] De bijval hiermee behaald, [en] de hernieuwde bekrooning in Felix 38, nu voor eene 'kerk met inVallend zonlicht', gevoegd bij mijn bijzondere neiging om de indrukken weer te geven, die kerkgebouwen op mij maakten, leidde er mij gaandeweg toe dit genre [schilderijen van kerk-interieurs] bij voorkeur te kiezen; [en om] in '37 in Belgie te gaan bezoeken en herhaaldelijk daar weer te keeren, aangetrokken door den overvloed van studie [veel kerken], dien dat land mij aanbood..”
  • „Het aantal mijner schilderijen is zeer klein in vergelijking met dat mijner teekeningen, die ook door verscheidenheid van genre een grooter afwisseling aanbieden [dan zijn schilderijen] vooral na 1863, toen wijlen mijn vriend jhr. C. C. A. Ridder van Rappard er bij mij op aandrong om wat ik verder zou leveren voor hem te bestemmen en zulks met de vrijheid mij niet uitsluitend te houden bij mijn hoofdgenre [de kerken]. In den omtrek van het door hem betrokken landgoed in het Sticht waren het dan ook de boerendeelen en binnenhuizen, die mij dadelijk aantrokken en inspireerden tot een nieuwe eigen opvatting daarvan.”
  • „Met een enkel woord moet ik nog spreken van een Album kleine teekeningen in '[18]80 door mij vervaardigd, voorstellende gedeelten van miin atelier en enkele bij een-gevoegde voorwerpen, die daarin voorhanden zijn, om in herinnering te brengen hoe met de Romantische beweging na '[18]30 ook de liefde ontwaakte voor alles wat vroegere tijden (ook het tijdvak der Mid'deneeuwen) voor den geest riep en hoe daaruit de zucht ontsproot tot het verzamelen van voorwerpen, die van den smaak dier tijden getuigden.”

Citaten over Johannes Bosboom - chronologisch

[bewerken]
  • „Andere kunstenaars mogen rijker verzamelingen hebben aangelegd, of hun werkplaats in schitterender ruimten hebben ingericht, zóó pittoresk als Bosboom's atelier is er geen. Zoowel het oude poortje, dat het atelier in twee gedeelten splitst, en waarvan ook de heer Mesdag een fraai aquarel bezit, als de interieurs, vooral dat waar het licht straalt op den lezenden man; zoowel de standaard met den opengeslagen Bijbel in het volle zonlicht, als de stillevens met boeken, kandelaars en monstransen, getuigen hoe de kunstenaar ook zijn eigen atelier ziet, hoe hij de realiteit weet te omstralen met zijne groote verbeelding..”
  • „Hoe veranderden de afgesponsde teekeningen, de oude schetsen, de vroeger begonnen aquarellen onder de bewerking van zijn altijd ongeloofelijk lenige handen, onder zijn gevoelige vingers! Hij rustte niet, voordat hij het bijkomstige ondergeschikt gehouden had aan het geheel, hetzij door het benedendeel van een kerk meer te omwikkelen in schemering, hetzij, zooals bij de synagogen, door het licht sterker te concentreeren en hinderlijke voorwerpen in een schaduw te hullen.”
  • Bron: Grada Hermina Marius, G. H. Marius en W. Martin, Johannes Bosboom - met 80 heliogravuren en lichtdrukken in toon en in kleuren; Martinus Nijhoff, Den Haag, 1917
  • Aanhaling(en): onbekend
  • Citaat beschrijft de positieve kunst-kritiek uit Bosboom's eigen tijd; Grada Hermina Marius was een toonaangevend kunst-criticus van de Haagse School
[bewerken]

Galerij van werken

[bewerken]