Johan Barthold Jongkind

Uit Wikiquote
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gustave Courbet, c. 1860: Portret van Jongkind, gouache op papier
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Johan Barthold Jongkind (Lattrop, 3 juni 1819 – La Côte-Saint-André, 9 februari 1891) was een Nederlandse kunstschilder van het landschap. Hij woonde en werkte het grootste deel van zijn leven in Frankrijk..

Citaten van Johan Barthold Jongkind - chronologisch[bewerken]

1830 - 1860[bewerken]

  • „..dat het hun Edelachtbaren moge behagen hem tot het doen eener verloting bestaande uit 70 loten à eene gulden het lot en wel van twee schilderijen voorstellende het eene een gezigt op Maassluis en het andere op Vlaardingen, door hemzelve vervaardigd, goedgunstig tot te staan. Welke verloting hij alsdan zoude verlangen kwam plaats hebben in de Hollandsche Tuin op den 29 April a.s.”
  • „Het gesprek raakte zo verhit dat het publiek voor de deur bleef staan en de straat uiteindelijk vol mensen stond.”
  • Bron: Johan Bartold Jongkind, brief 7 juni 1853, aan Eugene Smit
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 95; ISBN 978-90-6868-741-5
  • Jongkind bezocht in Parijs regelmatig het kunstenaarscafé 'Le Divan Le Peletier', waar toen de schilders Courbet en Thomas Couture een heftige discussie hadden. Hier leerde Jongkind ook Baudelaire kennen in 1852
  • „Het is ongelofelijk wat ik heb ervaren [..] Ik heb niets eens een eervolle vermelding gekregen, niets.”
  • Bron: Johan Bartold Jongkind, brief 25 november 1855, aan Eugene Smit
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 99; ISBN 978-90-6868-741-5
  • Jongkind had met 3 'Gezichten op Parijs' deelgenomen aan de Wereldtentoonstelling aldaar, en zich tactisch laten indelen bij de Franse schilders; maar, geen resultaat! De recensies waren wel lovend
  • „Ik heb nog een schilderij voltooid, een vergezicht bij Rotterdam, en een ander is al ver gevorderd, ik heb ze gemaakt naar de natuur, dat wil zeggen ik heb aquarellen gemaakt waarnaar ik mijn schilderijen heb gemaakt.”
  • „Als men mij bij de havens [in Rotterdam] ziet teekenen zal men begrijpen, dat ik een gewoon schilder ben. [..] Ik werk, maar zonder vrienden, zonder raad. Ik geloof dat het 't best is te werken met overtuiging, te weten wat men wil en onafhankelijk; maar ge weet, te Parijs ondervindt men bij het werk iets dat men nergens anders ondervindt: ik meen die opwekking die men noodig heeft om steeds beter te doen. Men wordt daarin geholpen door de kritiek, zelfs door de ellende heen [bereikt men] aldus bij trappen het geluk.”
  • „Het land is hier mooi, vooral voor het genre dat ik schilder. [..] Als je ooit naar Holland komt hoop ik dat je het zult herkennen uit mijn schilderijen. En het landschap is mooi door zijn nationale geest ik zeg nationaal, want alles heeft hier het karakter van een Hollandse nationaliteit, dat je geloof ik nergens anders vindt.”
  • „Wanneer ik weer in Holland ben, het ware land van de schaatsers, zal ik nieuwe studies op dat gebied maken, opnieuw geïnspireerd door de natuur.”
  • „Sano, mijn goede Sano, heeft mij gered. Sinds mijn vertrek heeft hij mij gesteund met advies en geld. Hij heeft mijn eer gered (zo) dat ik Parijs niet als crimineel verliet maar als een dupe.”
  • Bron: Johan Barthold Jongkind, brief, Rotterdam, april 1856 aan Eugène Smits
  • Aanhaling(en): M.F. Hennus, J.B. Jongkind, (Palet-serie); uitgever H.J.W. Becht, Amsterdam, p. 22
  • Jongkind doelt in zijn brief op de kunstenaar Emmanuel Sano die na een inzamelactie onder kunstenaars in Parijs Jongkind zijn schulden daar afloste en hem bovendien wat leefgeld toestuurde naar Rotterdam
  • „Wat heb ik verdrietelijkheden, onaangenaamheden, waarbij ik mijn troost zoek (in de hoop) op een beteren tijd en dat wij nog eens geestelijk samen kunnen praten [..] De Hollandsche geest is er niet naar om de kunsten aan te moedigen - men koopt wel, men betaalt zelfs goed, maar ongelukkig heb ik daar geen bewijzen van.”
  • „Nederland is mooi om te schilderen, maar als je moet beslissen welke voorstudie je gaat maken, vind je alleen in Parijs de scheidsrechters die je aanmoedigen en zeggen wat nodig is en wat er ontbreekt.”
  • Bron: Johan Bartold Jongkind, brief 14 oktober 1856, aan zijn kunsthandelaar Adolphe Beugniet
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 93; ISBN 978-90-6868-741-5
  • „Hier in Holland ben ik rustiger, [..] Le pays est beau par son intelligence nationale - ik zeg nationaal, omdat de molens, de havens, de lanen, de boomen, alles heeft een nationaal Hollandsch karakter, zooals men geloof ik nergens elders vindt.”
  • „Wat mij veel troost, is dat ik mijn broer hier heb met zijn vrouw en zoon, waar ik een intimiteit ervaar als ware ik thuis bij mijn ouders, helaas, de sociale positie is niet gelukkig omdat ze zonder een baan, [..] zonder inkomen zijn.”
  • „..een kamer, waar ik rustig kan werken, niets kan horen, geen leven, geen drukte, geen onaangenaamheden van anderen..”
  • Bron: Johan Barthold Jongkind, brief van Rotterdam februari 1858, aan kunsthandelaar Pierre-Firmin Martin
  • Aanhaling(en): De Maasbode, 'Jongkind in Rotterdam, vier jaren van werken, strijd en ellende', 4 oktober 1928
  • Vrienden van Jongkind in Parijs hadden geld verzameld om een gemeubileerde kamer voor hem te vinden, en Martin zou zijn geldzaken daar verder gaan regelen

1860 - 1891[bewerken]

  • „Ondergetekende verklaart dat ik, direct na mijn overlijden, al mijn bezittingen in waarde en voorwerpen, schenk aan Madame Fesser, voor alle zorg en het goede dat zij voor mij heeft gehad.”
  • „[Dordtrecht] aan drie rivieren, de Maas, de Merwede en de Rijn en derhalve een stad met veel boten in allerlei soorten.”
  • „We zijn moe; we ontvangen elke dag verzoeken van mensen om een schilderij te maken. Het is omdat ik veel magie nodig heb om mijn schilderijen te variëren, maar het belangrijkste is om geld te verdienen. Ze komen vanuit Engeland, Amerika, Rusland om mijn schilderij te kopen..”
  • „Ik hoop dat dit schilderijtje uw oom plezier heeft gedaan en dat hij blij was een straat in het hart van Parijs te zien waar men de lucht van de Franse hoofdstad inademt; in die buurten waar de goede oude tijd nog herkenbaar is voordat al die veranderingen plaatsvonden, en die terug te vinden is in de drukte van al die beste mensen die zich verplaatsen.”
  • Bron: Johan Bartold Jongkind, brief 9 mei 1878, aan een zekere Joseph; documentatie Musée d'Orsay, Parijs
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 100 ISBN 978-90-6868-741-5
  • In die jaren gingen er veel buurten van Parijs op de schop, wat ook zichtbaar werd in een reeks werken van Jongkind, vanaf circa 1868

ongedateerd[bewerken]

  • „..ik voel me gevleid, dat u het werk met het maanlicht een goed schilderij vindt, en dat zal nog veel winnen met de tijd, want op den duur zal de verf een glazuureffect krijgen..”
  • „Och, waarom zou ik zo voorzichtig zijn? Die bladen zijn me door God geschonken en als ik er om vraag geeft hij me er net zo veel bij. Zoek maar uit!”
  • „Mastenbroek, ik weet het niet maar ik heb zoo'n kopersmaak in mijn mond. Ze hebben wat in mijn eten gedaan.”
  • „Vanmorgen ben ik Troyon gaan opzoeken; hij maakt goede schilderijen. Ik ben langs gegaan om hem een bezoekje te brengen. Hij maakt schilderijen waarin ik een inspiratie zie van de voortreffelijke natuur die hij getrouw wil weergeven. U weet dat zijn schilderijen altijd stieren en koeien in de wei voorstellen, waarbij men de gezonde lucht kan inademen”

Citaten over Johan Barthold Jongkind[bewerken]

  • „Johan, ik ben recht verblijdt met u dat uw schilderstukje zo naar genoegen is uitgevallen en dat mijnheer Schelfhout ook over uw werk tevreden was. Het is mij een grote vreugde. Nu Jan lief, ik feliciteer u er mee en ik verheug mij zeer dat na lang tobben en verlangen [..] en door Gods hulp, [u] nu op een zo gelukkige en goede bestemming voor uwe keus tot het schilderen bent gekomen. Men mag nu wel met recht zeggen: u bent op de hogeschool.”
  • „Jongkind is een zeer scherpzinnige colorist, zijn iets te felle kleur is typerend voor hem, zijn levendig geschetste landschappen landschappen hebben veel karakter: zijn schilderijen zijn herkenbaar uit duizenden; dit is een vrij zeldzame verdienste dezer dagen. Monsieur Jongkind heeft zichzelf een aardige weg gebaand in de kunst, geen vorstelijke weg, maar wel een waarop hij alleen loopt, zonder te worden weggeduwd.”
  • Bron: Edmond About, zijn recensie van 1855, over o.a. de werken van Jongkind op de Parijse Wereldtentoonstelling
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 98; ISBN 978-90-6868-741-5
  • Op de Wereldtentoonstelling in 1855 in Parijs was Jongkind vertegenwoordigd met drie schilderijen: 'Gezichten op Parijs'. Edmond About was een toen jonge kunstcriticus die Jongkind's eigen stijl onderkende
  • „Dit merkwaardige personage is een jonge student met een studiebeurs van de Nederlandse regering. De heer Yonkind [zo schreef Nadar Jongkind's naam] is gekomen om de oude meesters van zijn vaderland te bestuderen, een talent dat onze eigen meesters aan hen ontleend hebben; hij heeft dit talent herontdekt. De zeegezichten van meester Yonkind verbleken zeker niet naast die van Isabey
  • „Jongkind - een van de afwezigen die het meest een leegte achterlaat - want de kwaliteit van Jongkind is uiterst zeldzaam: hij is eerlijk.”
  • Bron: Jean Rousseau, in 'Le Figaro', 13 sept 1857
  • Aanhaling(en): John Sillevis, Johan Barthold Jongkind, Waanders Uitgeverij en Gemeentemuseum, Zwolle, Den Haag (2003), p. 30 ISBN 978-90-400-8860-5
  • De afwezigheid van Jongkind op de Parijse Salon van 1857 werd opgemerkt door een prominente kunstcriticus
  • „Parijs mist het dagelijksche schouwspel van zijn grote vorderingen.”
  • Bron: Achile Jubinal, in 'L'Abeille Impériale', 16 oktober 1857
  • Aanhaling(en): De Maasbode, 'Jongkind in Rotterdam, vier jaren van werken, strijd en ellende', 4 oktober 1928
  • Citaat geeft de duidelijke waardering voor Jongkind aan in de Parijse kunstwereld; ze misten hem omdat hij vaak in Rotterdam schilderde en verbleef tussen 1856 en 1860
  • „Ik houd van deze Jongkind. [..] Bij hem schuilt alles in de impressie: zijn denken gaat door en neemt de hand met zich mee. Het ambacht zelf [van het schilderen] interesseert hem nauwelijks [..] Als de schets eenmaal af is en het schilderij voltooid, sta je niet meer stil bij de uitvoering: die maakt plaats voor de kracht en de betovering van het verkregen resultaat.”
  • Bron: Jules Castagnary, in ‘L’Artiste’, 15 augustus 1863, p. 75
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 106; ISBN 978-90-6868-741-5
  • Castagnary was de eerste recensent die in april 1864 de term 'impressionisme' als eerst positief gebruikte voor de nieuwe schilderstijl die opkwam in Frankrijk
  • „Hij heeft op zijn schildersezel een doek staan van een buitenwijk van Parijs [..] in een heerlijk mengsel van kleuren. Hij laat ons gezichten van Parijs zien, van de wijk Mouffetard [..] waar de verrukking van de grijze kleuren van de Parijse pleisterkalk door een tovenaar lijkt te [zijn?] betrapt in een waterige schittering.”
  • Bron: Edmond de Goncourt, eigen notitie van 4 mei 1871
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 100+105; ISBN 978-90-6868-741-5
  • notitie van de schrijver Edmond de Goncourt na een bezoek aan Jongkind op straat in mei 1871, samen met de Parijse kunstcriticus Philippe Burty
  • „Die ware liefde voor het moderne Parijs, die heb ik aangetroffen bij Jongkind en ik kan niet zeggen met hoeveel plezier. Hij heeft begrepen dat Parijs schilderachtig is tot in de afbraakbuurten.”
  • Bron: Emile Zola, 'Jongkind' in Lettres Parisiennes, La Cloche, 24 januari 1872
  • Aanhaling(en): Ruud van Capelleveen, in 'Johan Barthold Jongkind in Parijs', op Cultuurarchief.nl]]
  • Emile Zola hield van de lange lijnen die begonnen te ontstaan door de stedelijke verbouwingen vanaf circa 1870; hij zag mogelijkheden tot een heel andere schilderkunst, waarmee Jongkind in zijn ogen was begonnen
  • „..hij heeft de kerk Saint-Médard geschilderd, met de hoek van de nieuwe boulevard die toen werd geopend. Het [werk] is een parel, een toevallige bladzijde geschiedenis. Een hele buurt, de wijk Mouffetard, is daar, met zijn kleine winkeltjes[..], het glibberige plaveisel, de vale muren, al dat publiek, vrouwen en voorbijgangers.”
  • Bron: Emile Zola, 'Jongkind' in Lettres Parisiennes, La Cloche, 24 januari 1872
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 105; ISBN 978-90-6868-741-5
  • Zola publiceerde zelf in 1873 zijn roman De buik van Parijs, een familieroman in het hartje van Parijs: in en rondom De Hallen - tien jaar daarvoor nog gebouwd en overdekt door architect Haussmann
  • „Hij heeft verrassende breedtes, volmaakte vereenvoudigingen. Het lijken wel schetsen, die in een paar uur tijd op papier zijn gezet, uit angst de eerste indruk te laten ontsnappen. Maar de werkelijkheid is dat de kunstenaar langdurig aan zijn doeken werkt om deze uiterste eenvoud en ongekende finesse te bereiken.”
  • Bron: Emile Zola, 'Jongkind' in Lettres Parisiennes, La Cloche, 24 januari 1872
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 106; ISBN 978-90-6868-741-5
  • Zola benoemt hier duidelijk het begrip 'indruk / impression' en verbind dat met 'spontaan/vanzelf'; anderen zagen Jongkind dan ook als de voorbereider van het Franse Impressionisme, zoals de jonge Paul Signac in 1889
  • „Ik zette ook een voet tussen de deur die hij had geforceerd en begon voorzichtig mijn zeestukken te tonen [..] Hoe vaker je zijn aquarellen bekijkt, hoe meer je je afvraagt hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen! Ze zijn met heel weinig middelen gemaakt en toch is de ongrijpbaarheid en de dichtheid van de lucht en wolken met een onvoorstelbare precisie weergegeven.”
  • Bron: Eugène Boudin, in L'Art, XLIII, 1887
  • Aanhaling(en): Victorine Hefting, L'Univers de Jongkind, uitgeverij Les Carnets de Dessins, Parijs, 1976
  • Boudin en Jongkind trokken veel met elkaar op in Honfleur, Normandië; beiden waren er schilders van het landschap en instrueerden de jonge schilder Monet aldaar, circa 1860-63
  • „Niets maakt indruk op hem: succes, eerbetoon, rijkdom, scherpe kritiek of minachting. Hij heeft zijn eigen mening over mensen. Hij weet dat de ondergewaardeerde Corot meester van het landschap is, hij weet dat de uitgejouwde Monet binnenkort de trots van zijn tijd zal zijn..”
  • Bron: Eugène Boudin, in L'Art, XLIII, 1887
  • Aanhaling(en): Victorine Hefting, L'Univers de Jongkind, uitgeverij Les Carnets de Dessins, Parijs, 1976
  • In 1875 woonde Jongkind dan ook de begrafenis van Camille Corot bij, met veel andere schilders
  • „..de eerste die afstand nam van de vlakke tint, zijn kleur verbrokkelde, zijn penseelstreek oneindig versnipperde en de meest zeldzame nuances verkreeg door combinaties van talloze, bijna pure elementen.”
  • Bron: Paul Signac, De Delacroix au Néo-impressionisme, 1889
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 109; ISBN 978-90-6868-741-5
  • De kleurverbrokkeling, die bij Jongkind min of meer vanzelf groeide, werd bij Paul Signac zijn schildermethode
  • „Ge weet dat de eenige goede zeeschilder dien we bezaten, Jongkind, dood is voor de kunst. Hij is geheel gek.”
  • Bron: C.A.B. van Herwerden, 'Johan Barthold Jongkind en Rotterdam', in Elsevier's Maandschrift, oktober 1928, p. 227
  • Aanhaling(en): De Maasbode, 'Jongkind in Rotterdam, vier jaren van werken, strijd en ellende', 4 oktober 1928
  • Citaat is van de jonge Claude Monet, in een brief uit Parijs c. 1857, aan zijn eerste leermeester Boudin in Bretagne; Jongkind was als een 'verdronken wrak' vanuit Rotterdam aangekomen in Parijs. Vier jaar later zouden ze samen veel schilderen rond Honfleur en aan de kust, waarbij Monet veel adviezen kreeg van dezelfde Jongkind - zijn tweede grote leermeester, zoals hij zelf later altijd zei
  • „Wanneer wij hem [Jongkind] werkelijk belangstelling toonen, zullen wij misschien moreel wat invloed op hem kunnen hebben.”
  • Bron: Etienne Moreau-Nélaton, Jongkind peint par lui-même, Librairie Renouard, Henri Laurens Éditeur, Paris 1918
  • Aanhaling(en): C.A.B. van Herwerden, 'Johan Barthold Jongkind en Rotterdam', in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, Jaargang 38, oktober 1928, p. 227
  • Citaat is van graaf Armand Dorio, voorjaar 1860; op zijn verzoek zonden toen erkende Franse schilders als Corot, Daubigny, Diaz, Rousseau, Decamps, Troyon, Harpigny en Isabey een schilderij in om te verkopen; de opbrengst werd gebruikt om Jongkind weer een werk- en woonplek in Parijs te geven, wat ook lukte
  • „Met genoegen herinner ik mij de wandelingen die wij met elkaar maakten, soms naar zijn moeder te Maassluis of naar zijn zuster te Klaaswaal. Onderweg was hij altijd aan het schetsen. [..] Hij teekende met gewoon zwart krijt en het was wonderlijk zijn vaste hand en zijn begrip van kleur en lijnen gade te slaan.”
  • Bron: Charles Rochussen, citaat uit 'Jongkind en Vrienden', Dordtrechts Museum op Twitter, december 2017
  • Aanhaling(en): Jacques Moerman, toespraak juni 2019, 'Johan Barthold Jongkind is terug in Midden-Delfland', op website, Historische Vereniging Oud-Schipluiden
  • Jongkind startte in 1837 (18 jaar oud) aan de Tekenacademie in Den Haag; een jaar later ging hij er op kamers. Zijn vriend en medestudent was toen Charles Rochussen met wie hij veel tochten maakte rond Den Haag om te schetsen
  • „Het was een goede, heel eenvoudige man, die het Frans vreselijk radbraakte, zeer verlegen. Hij was zeer openhartig die dag. Hij [..] nodigde me uit met hem te komen werken, legde me het hoe en waarom uit van zijn manier van doen en voltooide daarmee het onderricht dat ik al had gehad van Boudin. Hij was vanaf dat moment mijn ware meester en ik dankte aan hem het uiteindelijke onderricht aan mijn oog.”
  • „Hij had buien van zwaarmoedigheid, welke dikwerf oversloegen in vervolgingswaanzin. Het verhaal van een bezoek aan zijn atelier, dat Edmond de Goncourt gaf in het 'Journal des Goncourt', eindigt met de beschrijving van dergelijken aanval. Gelijk Edmond de Goncourt hem hoog waardeerde van het begin af, stelden de kunstkenners in Frankrijk en in Engeland zijne werken, vooral zijn maanlichten, hoe langer hoe meer op prijs. In ons land, waar men de conventioneele kunst van Schelfhout en B. C. Koekkoek toen nog de hoogste kunstuiting achtte, had men geen oog voor de poëtische, stemmingsvolle en tevens ware kunst van Jongkind. [..] Aanstaanden Maandag wordt in het Museum Boymans het dezer dagen gekochte werk 'Gezicht op Overschie bij maanlicht', 1872 geplaatst, en de bezoeker kan dan beoordeelen of wij dezen meester te veel hebben geprezen.”
  • „Jongkind schilderde veel in de omgeving van Rotterdam en Overschie, mijn vader [van de havenschilder J.H. Mastenbroek ] vergezelde hem veel, ook braaf studies makende. [..] Ik herinner mij een aquarel van Jongkind bij ons tehuis, voorstellende: 'de houtzaagmolen halverwege Rotterdam en Overschie', waarop Jongkind had geteekend: 'Aan mijn vriend Mastenbroek' Toen ik heel jong was, bekeek ik deze aquarel altijd met diepe vereering en had een stillen wensch, dat ik eens genoeg mocht verdienen om deze van mijn vader te koopen. Maar toen ik als verversjongen de wereld in ging, verdiende ik 5 cent per uur..”
  • „..bleef Jongkind een apart figuur, een uitzondering. Zijn leven is niet spectaculair geweest [..] op het eerste gezicht maakte hij niet de indruk in zijn kunst een revolutionair te zijn. En hij trok [in Nederland!] niet de aandacht van andere schilders [..] bij kunstliefhebbers die uit waren op "vernieuwingen".”
  • Bron: Victorine Hefting, ’’l’Univers de Jongkind’’, uitgeverij Les Carnets de Dessins, Parijs, 1976
  • Aanhaling(en): Stéphanie Cantarutti, in Nederlanders in Parijs, 1789 – 1914, eindred. Aggie Langedijk, uitgeverij Thoth, 2017, p. 252, noot 15; ISBN 978-90-6868-741-5
  • In Frankrijk daarentegen gebeurde dat wel degelijk, zoals onder andere de vroege herinneringen van Monet aan Jongkind laat zien, in 1890. Victorine Hefting deed jarenlang onderzoek naar het leven en werk van Jongkind

Externe link[bewerken]

Galerij van werken[bewerken]