Jeroen Brouwers

Uit Wikiquote
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jeroen Brouwers, 2010
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo-v2.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
DBNL pagina in DBNL
IMDb pagina in IMDb
KB pagina in KB-catalogus

Jeroen Brouwers (30 april 1940) is een Nederlands journalist, schrijver en essayist.

  • „Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt”
  • Bron: Begin van Jeroen Brouwers, Bezonken rood, Arbeiderspers, 1981.
  • Aanhaling(en): Jaap Goedegebuure, Indisch uitstapje van Thomése, Trouw, 29 oktober 2005.
  • Vergelijk: P.F. Thomése in Izak, Atlas Contact, mei 2005: "Luister maar: alles wat wordt aangeraakt, laat zich horen. Alles wat je hoort, is aangeraakt."
  • „[...] wat ik heb geschreven hoeft niet langer door mij te worden onthouden.”
  • Bron: Slotwoorden van de hoofdpersoon in Bezonken rood (1981), die hier zijn overleden moeder aanspreekt.
  • Aanhaling(en): Mara Kuijpers, Daar werd een trauma aangericht. Een analyse van trauma als verhaalmodel in het literair-historisch vertoog over de Indische kampliteratuur, Masterscriptie RMA Nederlandse Letterkunde, Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam, 27 maart 2012.
  • Met name door deze woorden verwerkt de hoofdpersoon (en ik-verteller) van Bezonken rood de verdrongen traumatische gebeurtenissen in een Japans concentratiekamp die hij daarvoor in detail heeft beschreven. Tegelijk distantieert hij zich van zijn moeder, om wie het grootste deel van het verhaal draaide. Haar dood speelt een belangrijke rol bij het verwerkingsproces.

Over Jeroen Brouwers[bewerken]

  • „Het gaat er niet om dat sommige gevoeligheden niet mogen worden getoond; het gaat om hun echtheid. Brouwers denkt dat dit probleem kan worden opgelost door heel hard te brullen. Als je maar hard genoeg schreeuwt, dat je niets voelt! dat je kitschgevoelens hebt! dat je nooit hebt leren voelen! En, daar komt de aap uit de mouw, 'dat komt allemaal door het kamp'. Het ideale excuus, het perfecte alibi, de bomvrije schuilkelder.”
  • Bron: Rudy Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom, 4e druk, 1995, p. 522.
  • Aanhaling(en): Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. 2006, p. 86.