Jacobus van Looy

Uit Wikiquote
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Willem Witsen: 'Portret van Jacobus van Looy, 1891
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo-v2.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons

Jacobus (Jac) van Looy (Haarlem, 13 september 1855 – aldaar, 24 februari 1930) was een Nederlands kunstschilder en schrijver; hij behoorde tot de kunstenaars van de Tachtigers.

Citaten van Jacobus van Looy - chronologisch[bewerken]

Citaten, voor 1890[bewerken]

  • „Dit heb ik begrepen, dat ik nooit leren zal een aangenaam schilderij te maken, ik ben te laat begonnen en daardoor te weinig buigzaam, helaas, vast ook te grof van natuur om ooit het echte lieve der natuur dat ik weleens denk te zien, na te leren doen en te koppig en bepaald onwillig om een jas aan te trekken die gewatteerd is en door het vele dragen blijken zal versleten te zijn.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief 10 oktober 1884, aan August Allebé te Amsterdam
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 58
  • Van Looy beschrijft - 29 jaar oud - aan zijn voormalige leermeester op de Amsterdamse Rijksacademie hoe hij zichzelf ziet als kunstschilder
  • „Met groot genot copieer ik de Sibille, en nooit van m'n leven vergeet ik de indruk die vooral het plafond op mij maakte, de eerste maal dat ik het zag - Wat een reus in de grootte en in de diepte, [is] die Michelangelo. Ik ben er wel drie dagen stil van geweest..”
  • „Weet je wat ik geloof, dat men onder fantazy heel dikwijls iets verkeerds verstaat, 't woord is in discrediet geraakt [..] Maar fantazy zoo begrepen kan geen kunstenaar missen [..] Ja, dat alleen is noodig, krachtige oogenblikkelijke ingeving, onverschillig of de indruk van buiten komt of van binnen. En wat mij betreft: ik zal trachten dat tot het programma van mijn leven te maken, amen,.”
  • „Je hebt gelijk [om] sentiment te willen, alles wat mooi is en blijft is het dóór dat, men zegt het echter makkelijker dan het te schilderen maar nooit geen grog hè. Ik heb voor mijn slaap een schetsje gemaakt, dat geloof ik zeer mooi worden kan [..] o! ik heb zooveel mooi's in 't hoofd.”
  • „Als ik 's morgens voor 5 centen Turkse tarwe koop en maar even op het [San Marco] plein het zakje toon, komen ze [de duiven] aanvliegen van alle kanten [..] Ik ben op 't ogenblik bezig iets daarvan in schilderij te brengen, een klein meisje met een witte omslagdoek om het hoofd en een grote besteedster (paraplu) stapt tussen de duiven door, zoals men dat honderden kan zien doen, alle dagen.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief uit Venetië 4 december 1885, aan zijn zus Kee in Nederland
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 13
  • Van Looy beschrijft zijn zus een motief uit de stad waar beweging in zit, dat hem aanspreekt als motief voor een schilderij
  • „Hij komt uit de bergen met reuzige macht / en giert door de straten in de donkere nacht. / Hij stuift naar omlaag, naar ie kust, naar de rêe / en slaat er de rots en de blauwe zee / die zich krimpt en wringt / waar zijn geselslag zingt / wee... wee... wee.”
  • Bron: Jacobus van Looy, eerste strofe van zijn gedicht 'Storm bij Nacht', begin 1886
  • Aanhaling(en): Marcel Harlaar, 'Het penseel in de inkt gedoopt, Jac. Van Looy - schilder en schrijver', in De Parelduiker, jaargang 4, 1999, p. 64
  • In die periode werd Van Looy geteisterd door een tijdens het schilderen opgelopen loodvergiftiging, waarvoor hij in Genua in een ziekenhuis moest worden verpleegd. Op zijn ziekbed schreef hij dit gedicht
  • „De vele indrukken maken een schrijver van me, zooals ik later weer rustig meer schilder zal zijn. Maar Kloos, ik ben nog geen stemmingsman, wat schilderen aangaat; naar mijn mening nu is schilderkunst iets te solieds, iets te plastisch voor een rag van fijne impressie's. Schilder krachtig, gezond, weef daarin al wat in je is van kleuren enz. [..] maar die schilderkunst [van subtiele impressie's] houd ik voor voorbijgaand: alle groote kunstenaars zeggen me dat.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief uit Burgos, Spanje 9 januari 1887, aan Willem Kloos te Amsterdam
  • Aanhaling(en): 'Brieven van Jac. van Looy aan Willem Kloos', in De Nieuwe Gids. Jaargang 45, deel 2, 1930, p. 374
  • De schilderijen van Van Looy tonen vaak sterke en stevige kleuren; hij was geen impressionist. Ook geeft dit citaat aan dat Van Looy voortdurend met zijn dubbeltalent moest omgaan: schilderen en schrijven
  • „..ik wou dat dat verdoemde schilderen op de Mookerhei zat. 't Is een blok, je zit er zoo vast aan als een galeislaaf aan zijn roeibank. Je staat er mee op en je gaat er mee naar bed en je doet niks goeds en je werkt je lam.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief van 1887 aan Willem Witsen
  • Aanhaling(en): A.M. Hammacher Amsterdamse Impressionisten en hun kring; J.M. Meulenhof, Amsterdam, 1946
  • Dit citaat van Van Looy beschrijft zijn eigen gevoel van onvermogen (volgens hemzelf) om indrukken en sensaties uit de wereld om te zetten naar een bevredigend schilderij. Schrijven en schilderen eisten beide zijn aandacht
  • „Misschien heb ik onbewust wat meer gemaakt als de directe indruk [..] een soort van algeheele indruk van dat monsterachtige feest. 't Was een troep dronken wijven, met oranjebroeken aan, armelui's onderbroeken, of als je wilt hoerenonderbroeken, oranje geverfd in een pot kokende sop van campienje hout [..] Ik zag ze dansen en springen onder het licht van een straatlantaarn [..] Boven hun hoofden uit schommelde een grote lichtballon, het hoogste punt licht. De drukte zit er goed in, dunkt me, maar het ding is geweigerd, en een neef van me, die graag zijn twee woorden Fransch lucht, en lid is van een soort commissie in Arti, zei 't was 'trop commun' geworden.”
  • „Dat ik je niet al eerder geschreven heb, komt ook doordat ik een poos lang erg geleden heb aan zwaarmoedigheid. Ik zag de boel dan al zeer zwart in, maar nu is dat weêr voorbij. [..] Hou me ten goede als ik niets meer te vertellen weet. [..] Spoedig hoop ik je weer eens wat beter te kunnen antwoorden. Ik ben telkenmale zoo moeielijk gestemd, en dat is vervelend. - Dag en schrijf veel nog, Je Jac. v. Looy”

Citaten, 1890 - 1900[bewerken]

  • „Gekken. O je hebt gelijk, ik heb zooveel moois in mijn bol zitten. In Tanger is een godsdienstige secte, die heiligen zijn, Santo's. De Europees noemden ze: locos, gekken. Daarvan heb ik woedend mooie visioenen gekregen, en die hebben me nu eindelijk te pakken.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief 8 april 1890, aan Lodewijk van Deyssel
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 22
  • Van Looy reageerde op Van Deijssel die hem schreef: '..wat een kleuren zijn er van den Zuider grond in jouw hersen hemel opgewasemd, die je nu in het Noorden uitregent!' Hij doelde op de reizen van Van Looy door Italië, Spanje en in Tanger. 'Gekken' werd gepubliceerd in De Nieuwe Gids van april 1890
  • „'t Is hier zoo'n mooi café. Weet je nog wel, dat we hier voor 't allereerst samen hebben zitten praten over de 'extase van de kwast'. De rook van jaren heeft 't goud hier zoo mooi oud gemaakt, en 't rood als in moskeeën die 'k heb gezien.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief 23 mei 1890, aan Lodewijk van Deyssel
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 20
  • Van Looy herinnert zich over het onderlinge treffen van de jonge Tachtiger-kunstenaars in hotel Mast, aan het Rembrandtsplein te Amsterdam
  • „Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen / Bloeien in kronen en 't goud rommedomt, / In spiegel-wanden duizendvoud weêrómt, / Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen. / .. We hurken om tafels, naast elkaâr gekromd, Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen. / Daar zitten we onder zuilen als in dag, / Stoer lijf bij lijf, elkaâr, wijl de uren vliegen, / Vertrouwelijk van 't leven te beliegen.. / Hóór, door de rooie rook joelt onze lach... / De zaal 'n burcht is... / de klare glazen klinken.”
  • Bron: Jacobus van Looy, uit zijn gedicht 'Café' (circa 1890), in Gedichten door Jac. van Looy, 1884-1925, p. 26
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 20
  • Van Looy beschrijft in zijn gedicht 'Café', letterlijk in geuren en kleuren, het bijeenkomen van de jonge Tachtigers in hotel Mast aan het Rembrandtsplein te Amsterdam
  • „Ik ben nu tamelijk wel de eenige schilder in Holland die veel besproken, maar niet geaccepteerd wordt. Ze kunnen allemaal omvallen. Tegenwoordig is iedereen vermarisd [naar Jacob Maris], zoals Witsen dat noemt. Behalve die [Witsen?] vind ik ook zelf mijn werk in Arti 't belangrijkste.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief 20 november 1890, aan Lodewijk van Deyssel
  • Aanhaling(en): Jacobus van Looy 1855 - 1930, red. Chriss Will en Joyce van der Smit-Meijer; Waanders, Zwolle, Frans Halsmuseum, Haarlem, 1998; ISBN 90-400-9293-1
  • Vanwege zijn uitgesproken en felle kleurgebruik werd Van Loooy bekritiseerd op de tentoonstelling van Arti. Het 'vermarissen' in dit citaat slaat op de zachte / grijze tinten die de latere Jacob Maris hanteerde in zijn schilderen (en van Looy juist niet)
  • „Schilderen is eigentlijk een heerlijk werk. Ik begrijp eigentlijk zelf niet hoe ik nog zooveel lust om te schrijven heb. Voor een groot deel komt het daarvan dat ik bijna niets verkoop en dat schilderen een dure geschiedenis is, anders zou ik geloof ik niets doen als schilderen. Er moesten meer grandioos rijke lui zijn.. [..] 't Is eigentlijk een wonder wat ik met m'n arm [schilder]rommeltje nog tot stand heb gebracht.”
  • Bron: Jacobus van Looy, 29 November 1892 Amsterdam, aan Lodewijk van Deyssel
  • Aanhaling(en): 'Jac. van Looy Twee brieven aan Lodewijk van Deyssel', in Maatstaf. Jaargang 1., 1953-1954, p. 264
  • Van Looy had zojuist een nieuw atelier ter beschikking gekregen 'net een kerk, acht meters lang, zeven meters breed, vier meters hoog'. Voortdurend moest hij kiezen tussen het schilderen en het schrijven, temeer daar het schilderen nauwelijks loonde
  • „Hier zitten de kijkers of zaten ze er honderd jaar [..] Voor zooveel centen wordt de orgelman niet moe [..] telkens vervat hij den slinger met een uitgeruste hand. Hij laat de paren dansen, die elkaâr bij de schouders houden, want veel danst meid met meid. En hun voeten kennen de keien; hun gedaanten, verstompende in den schemer, die altijd tusschen lantarens is, schuiven, keeren, weêrwiegelen het heete leven van den wals.”
  • Bron: Jacobus van Looy, in Tweemaandelijksch Tijdschrift, januari 1895, p. 335
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 24
  • Van Looy beschreef zijn impressie van Hartjesdag in Amsterdam; hetzelfde nummer van het Het Tweemaandelijksch Tijdschrift opende met zijn schilderij 'Feesten' / 'Hartjesdag'
  • „We hebben een poes gehad [..] 't Was een mooit wit beest. Nu heb ik in mijn atelier een goud-specht, die ik met de hand in 't bosch opraapte voor dood, een prachtig beest: goud-groen met een perzisch-roode kuif. Ik hoop, dat ik haar er door haal. Zou bijna een wonder zijn, zoo'n schuw beest. Je Jac.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief Soest 9 december 1897, aan Lodewijk van Deyssel
  • Aanhaling(en): Harry G.M. Prick, 'Jac. van Looy 1855-1930', in 't Is vol van schatten hier..., De Bezige Bij, 1986, p. 300
  • citaat was geschreven opzij van de echte brief, links in de marge; de kleuren buitelen over elkaar. Van Looy noemt expliciet het 'atelier' waar hij bleef schilderen, zonder te exposeren

Citaten, na 1900[bewerken]

  • „Je hebt gelijk: hoofdzakelijk heb ik Zebedeus geschreven om en voor mijzelf; het is geen ijdelheid wanneer ik zeg er zeker van te zijn dat de bedoelingen hier en daar, niet voor dovemansooren gezegd zijn geworden.”
  • „We zijn bezig aan de IVe druk van Jaapje! Jaapje hoog! Hij helpt zijn ouwe vader [Van Looy bedoelt zichzelfzelf] aan een eerlijk stukkie brood. Tot uit Chicago komen de bestellingen. Boekhandelaars bestellen tegenwoordig de heele serie van Looy. Uit Indië kwam onlangs een bestelling van zeventig Prozas. Vriend, verlaat het tooneel nog niet, tenzij om eens je krachten te versterken op ander gebied! Leer van je Kobus [= Jacobus van Looy].”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief 5 november 1919, aan Frans Mijnssen
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 43
  • Zijn roman Jaapje werd uitgegeven in 1927, en was sterk gebaseerd op de eigen jeugd van Van Looy in het weeshuis te Haarlem
  • „O, 't leven van de zee, waarbij ik was gezeten, / Dat aanzwol uit een ruimt' waaronder bergen staan, / En tot mijn voeten kwam met dreun en kolking slaan, / En in een zwalp uitzwom van ruiseling verreten.”
  • Bron: Jacobus van Looy, aanhef van zijn gedicht 'Zee', gepubliceerd in De Nieuwe Gids, 1920
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 46
  • Dit is de aanhef van zijn late gedicht 'Zee', waarin zijn woordgebruik nog enigszins overeenkomst heeft met zijn vroege poëzie, maar soberder in taal is geworden
  • „Eens kwam ik hem [Willem Kloos, zeer waarschijnlijk] tegen, jonkheerlijk als hij was, in de Utrechtsche straat en hij liep wat met mij op of ik met hem. En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zoo lief heeft, zei hij: 'Een nieuwe lente en een nieuw geluid, hoe vind je dat?' Wij wandelden en gingen om met Mei, het toen nog onbekende gedicht van zijn vriend en studie-genoot, Herman Gorter en als gevolg er van kwam Gorter in mijn werkplaats het mij voorlezen, drie avonden lang.”
  • Bron: Jacobus van Looy, in De Nieuwe Gids, juni 1921
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 46
  • Van Looy haalde in deze tekst herinneringen over Willem Kloos, uit de begintijd van de Tachtigers in Amsterdam; de 'Mei' was het beroemde gedicht van Gorter van ruim 4000 versregels
  • „Jaapje verbeeldde het kindertrekje, Jaap meer de jongensgang, Jacob wil reeds mannelijker stappen over de wereld en zoo werd het dan met meer sprongen. Zoo is er wel nog een en ander te wachten misschien.”
  • Bron: Jacobus van Looy, brief 21 september 1928, aan Charles M. van Deventer
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 58
  • Van Looy heeft het hier over zijn drie romans 'Jaapje' (1917), 'Jaap' (1923), en 'Jacob' (1930)
  • „Als meester Juulsen [die schilderles gaf] lachte, was alles onder zijn knevel verborgen [..] Dan was zijn voorhoofd met zijn oogen blij, die eerder blauw geleken soms dan bruin; het was niet altijd even gemakkelijk te zeggen hoe kleuren van oogen waren. Het waren gemengde kleuren. [..] Het beste was, meende Jakob, wanneer hij ging zitten schilderen; schilderen was een toevlucht, het verzoende.”
  • Bron: Jacobus van Looy, Hoofdstuk 'Ouder worden IV', in Jakob, A.W. Sijthoffs Uitgeversmij, Leiden, 1930, p. 159
  • Aanhaling(en): DBNL, roman Jacob, 1930 - op DBNL
  • citaat uit zijn late autobiografische roman Jakob, waarin 'de schilder' meekijkt, in kleurtaal en in tinten

Citaten over Jacobus van Looy - chronologisch[bewerken]

  • „M, Het zal U zeker aangenaam zijn, te vernemen dat onze gewezen pupil Jacobus van Looy, voor wiens opleiding aan de Rijks-Academie van Beeldende Kunsten, te Amsterdam, wij gedurende eenige jaren ook van U eene geldelijke bijdrage mogten ontvangen, aan de goede verwachting, die wij omtrent hem koesterden, op uitstekende wijze beantwoord heeft. Onder de leiding der Hoogleeraren van die instelling heeft zijn schilderstalent zich meer en meer ontwikkeld [..] vragen wij thans weder van U Uwe gewone jaarlijksche bijdrage [..] Onze van Looy is U [er] dankbaar voor.”
  • Bron: circulaire van de Regenten van het Geref. Weeshuis te Haarlem, 1883
  • Aanhaling(en): Herman Robbers, 'Levensbericht van Jac. van Looy', 1931', Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1855-1930), 1931, p. 88
  • Aanvang van een circulaire uit 1883 van de Regenten van het Geref. Weeshuis te Haarlem, gericht aan diegenen die al eerder de jonge Jacobus van Looy financieel gesteund hadden; vanaf zijn zesde al bevond hij zich in het Weeshuis
  • „..de 'Vrouw met kaarten' [zijn schilderij 'Waarzegster in Venetië'] is ook zeer goed. De opvatting van kleur (hier grotendeels de combinatiën) [..] en zo constateer ik dan tot mijn dubbele vreugde dat het Venetië zelf moet zijn (ik meen hier niet de oude meesters, maar de levende natuur) die deze zin voor fijne gebroken kleur heeft ingegeven.”
  • Bron: August Allebé, brief uit Amsterdam 20 februari 1886, aan Jacobus van Looy, Rome
  • Aanhaling(en): Peter Winkels, Peter Winkels, 'De vele indrukken maken een schrijver van me - Reisbrieven van Jacobus van Looy', in Maatstaf. Jaargang 38, (1990), p. 68
  • August Allebé was een schilderleraar van Van Looy op de Amsterdamse Kunstacademie. Van Looy was daarna in Rome vanwege zijn Prix de Rome die hem in 1884 was toegekend, samen met de schilder Jan Dunselman
  • „..een leven rijk aan gebeuren, maar innerlijk, en verborgen onder het burgermansbestaan, alleen geuit in verbeeldingen. Lees zijn boek Gekken eens: zie zijn schepping van den mensch Vogel daar: wat bezielde hem toch om dat te schrijven? Iets heel eenvoudigs: de erkentenis dat het groote Leven tegelijk heerlijk en rampzalig is. Ziet ge de heerlijkheid, wees dan zeker dat de rampzaligheid haar keerzij is.”
  • Bron: Albert Verwey, in het Tweemaandelijksch Tijdschrift, mei 1901, pp. 457-458
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 26
  • Gekken is in gedeeltes gepubliceerd in De Nieuwe Gids, Jaargang 5, 1890
  • „..zoo rolt het uit zijn handen in kwistige schatrijkheid. [..] Een dag met sneeuw, Een stierengevecht, Het einde van een stierengevecht, Een mislukte dag, Een reisindruk -, het zijn alle schoone kunst-stukken, hel wit, hel rood, vooral rood, hel geel of licht zwart als die regendag,..”
  • „Gisteren begroef ik Van Looy. De dag tevoren was het college, dat ik juist bezig ben over hem te geven, een lijkrede. "De eerste Tachtiger", zei [Lodewijck] Van Deyssel, die naast me kwam staan [op de begrafenis van van Looy]. Het was niet geheel juist, want ook [Jan] Veth moest worden meegeteld. "Ja", zei ik, "en werkelijk een Tachtiger. Een die het zijn wou en het bleef".”
  • Bron: Albert Verwey, brief, 1 maart 1930, aan Maurits Uyldert - aangehaald in Uyldert zijn boek Naar de voltooiing / Uit het leven van Albert Verwey, Amsterdam, 1959, p. 182
  • Aanhaling(en): Harry G.M. Prick, De briefwisseling tussen Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey, (3 delen). Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag 1981-1986; DBNL 2007, p. 5
  • Albert Verwey zag Jan Veth en Lodewijck van Deyssel niet als Tachtigers-tot-aan-het-einde-toe
  • „Langzamerhand is hij er toe gekomen geen werk meer ten toon te stellen; critiek was hem te pijnlijk, hij hield liever zijn werk voor zich. Ik vond, dat hij daarin ongelijk had. Wanneer de artiest weet, dat hij met de geheele overgave van zichzelf heeft gezwoegd, moet hij, zich om niets bekommerend, zijn werk in de openbaarheid brengen. Dit is het juiste standpunt, maar Kobus heeft dit alleen ten opzichte van zijn literaire werk ingenomen.”
  • Bron: Frans Erens, in Vervlogen jaren, Ten Hagen, Den Haag, 1938, p. 161
  • Aanhaling(en): Christiaan Will & Peter Winkels, 'Schrijversprentenboek', in Jacobus van Looy, 1987, p. 27
  • In Arti, aan het Rokin te Amsterdam had Van Looy in 1901 zijn eerste, en ook laatste overzichtstentoonstelling. Door de kritiek en ontbreken van bijval (vooral vanaf de zijde van de schilders) weigerde hij zijn schilderkunst, die hij desondanks voortzette, nog langer openlijk tentoon te stellen
  • „Bij de Van Looy's kwam ik graag: eerst in Amsterdam, toen in Soest en later in Haarlem. Vooral 's avonds waren de kamers mooi, van een volle doorzongen kleur en gloed, rustig en harmonisch. En er waren altijd bloemen, maar nooit veel. Ieder ding kwam tot zijn recht. Ze waren door-en-door deftig en gedegen-Hollands, die vertrekken, en zeer intiem. Later in Haarlem deden zij denken aan oude Regenten-kamers.”
  • Bron: Marie Cremers, Lichtend verleden (jeugdherinneringen), Wereldbibliotheek, Amsterdam 1954, tweede druk, p. 29
  • Aanhaling(en): Harry G.M. Prick, De briefwisseling tussen Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey, (3 delen). Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag 1981-1986; DBNL 2007, p. 101
  • De beschrijving van Marie Cremer geeft een goede indruk van de werk- en leefsfeer van Van Looy en zijn vrouw Titia van Looy-van Gelder. Op latere leeftijd heeft Van Looy veel kleurige bloemenschilderijen gemaakt, die hij echter nauwelijks meer exposeerde

Externe links[bewerken]

Galerij van werken[bewerken]