Isaac Israëls

Uit Wikiquote
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Isaac Israëls, 1919: 'Zelfportret, met een doek van Javaanse prins Jodjana
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Isaac Israëls (Amsterdam, 3 februari 1865 – Den Haag, 7 oktober 1934) was een van de voornaamste Nederlandse schilders uit de groep van de Amsterdamse Impressionisten; later woonde en werkte hij in Parijs.

Citaten van Isaac Israëls - chronologisch[bewerken]

Citaten, 1885 - 1900[bewerken]

  • „Amice. Kom liever de volgende week twee dagen bv. nà elkaar. Ik ben nu nog dezer dagen met een studie bezig. Schrijf me wanneer je kunt nà Maandag. Salut. Isaac I.”
  • Bron: Isaac Israëls, briefkaart 12 december 1888, aan Albert Verwey
  • Aanhaling(en): Margaretha H. Schenkeveld & Rein van der Wiel, 'I.L. Israels aan A. Verwey 12.12.[88]', in Albert Verwey - Briefwisseling 1 juli 1885 tot 15 december 1888, Querido, 1995
  • Israëls was bezig met een portret van Albert Verwey en vroeg de schrijver (die al eerder had gezeten, want Israëls schreef over een studie) om twee dagen achter elkaar model te komen zitten
  • „Ik heb daarnet een schilderij van Breitner gezien, voorstellende een winter met paarden [..], het ziet er prachtig uit. Zoo zelfs dat ik geen lust meer had om verder te wandelen en maar naar huis ben gegaan. Ik dacht ik schei er mee uit, tegen zulk werk (kun) je toch niet op schilderen, maar toen ik op mijn atelier was ben ik toch hard aan 't werk gegaan. Een vreemd resultaat..”
  • „..het is toch een verdomde geschiedenis dat ik juist met die vent die ik juist zoo nodig had nooit heb kunnen opschieten, maar enfin, er is niets aan te doen. Ik krijg van zijn werk altijd een opdonder, als iemand die ineens iets begrijpt, dat heel eenvoudig was, en daar uit stommiteit niet om gedacht heeft..”
  • „Heb jij ooit gehoord dat iemand naar Londen wilt en naar Hamburg gaat? Ik niet Er zijn hier dingen van een leelijkheid van kleur waar je in Holland geen idee van hebt. Wat hier nogal aardig is zijn de karren, schuiten, brokken stad, hoerenbuurtjes s’nachts admirabel maar de meiden zijn daar verdomd brutaal.”
  • Bron: Isaac Israëls, brief vanuit Hamburg, 30 oktober 1892, aan Willem Witsen te Amsterdam; K.B.
  • Aanhaling(en): Historiek, 'Brief van Isaac Israels (1865-1934) aan Willem Witsen (1860-1923)' in Verdieping van Nederland
  • De charme van de brief zit in de met snelle penstreken neergezette schetsen; ook onthult de inhoud ervan de gerichte focus waarmee Israëls in die jaren door een stad als Hamburg loopt en er zijn schetsen ter plekke maakt
  • „Het is voor die arme dondersteentjes een lastige opgave geweest om te poseren; met fatsoen wordt niet gespot, menen de Amsterdammers.”
  • Bron: Isaac Israëls, brief, Amsterdam 1894, aan vriend Frans Erens
  • Aanhaling(en): Jessica Voeten & Freek Heijbroek, 'Het Amsterdam van Isaac Israels', in Ons Amsterdam, juni 2012
  • In 1894 kreeg Israels van B&W Amsterdam een vergunning om op straat te schilderen. De eerste keer al trok hij veel bekijks en kreeg flink commentaar van omstanders, toen hij op de sluis van de Leidsegracht en de Herengracht drie jonge vrouwen schilderde

Citaten, 1900 - 1934[bewerken]

  • „Het schilderen zelf is het minste, Het is daarom niet gezegd, dat men alleen werkt wanneer men de verf op het doek zet. Zou men zelfs niet kunnen zeggen, dat afkrabben en uitvegen en weer een schoon doek maken, ook wel degelijk werken kan zijn (ik bedoel natuurlijk niet het fysieke werken alleen)?”
  • Bron: Isaac Israëls, opmerking in 1915 tegen mevr. G.H. Marius, tijdens haar bezoek aan hem in Parijs
  • Aanhaling(en): G.H. Marius, 'Isaäc Israels', in Onze Kunst, L.J. Veen, Amsterdam 1916, p. 143
  • Tijdens het afkrabben, uitvegen, etc. bekeek Israëls opnieuw zijn gemaakte werk en beoordeelde het langdurig
  • „..in Parijs kijk je naar de aardige lijn, naar de beweging van het figuurtje, in Holland naar de frissche kleur van het gezicht.”
  • Bron: Isaac Israëls, opmerking in 1915 tegen mevr. G.H. Marius, tijdens haar bezoek aan hem in Parijs
  • Aanhaling(en): G.H. Marius, 'Isaäc Israels', L.J. Veen, Amsterdam
  • Wanneer Israëls bij terugkijken vond dat hij de lijn van het model niet scherp genoeg uitgedrukt had, probeerde hij haar als model terug te krijgen. De 'midinette' (Parijse naai- of ateliermeisje) vond hij het het meest karakteristieke in het Parijse straatleven
  • „Onlangs was onze vriend Jan H. bij mij en vertelde van [zoon] Wim dat hij naar de Amst. akademie zou gaan enz. Zij schijnen het allemaal dolgraag te willen. Maar natuurlijk - de finantiëele questie. Nu zeide je mij laatst dat je van plan was een soort 'fonds' voor dien jongen te willen in orde maken. Indien jij je daar inderdaad mee wilt belasten ben ik bereid, om J. plezier te doen om daartoe bij te dragen..”
  • Bron: Isaac Israëls, brief Den Haag 18 april 1918, aan Willem Witsen
  • Aanhaling(en): DBNL, ' Volledige briefwisseling (1877-1923) Willem Witsen
  • Citaat geeft de betrokkenheid van Israëls voor een jongeman aan die graag kunstenaar wilde worden, maar zijn vader kon de opleiding niet betalen
  • „Wanneer vertrek jelui want ik zou 't erg prettig vinden jelui nog te zien vòòr je vertrek, ook met 't oog op mijn - event. bezoek aan jelui, aldaar! Ik ben op 't oogenblik bezig van de paar laatste mooie dagen - misschien zijn ze nu al om - op de Theems te profiteeren. Dat reisje naar Kopenhagen en Stockholm was een werkelijk succes! Van landen waar je totaal niets van weet hangt 't natuurlijk van toeval af of je er wat ziet. Maar ik heb nogal chance gehad.”
  • Bron: Isaac Israëls, brief vanuit Londen, 26 september 1920, aan Willem Witsen te Amsterdam; verblijfplaats: K.B. 75 C 51
  • Aanhaling(en): DBNL, Volledige briefwisseling (1877-1923) Willem Witsen
  • Isaac Israels wilde naar Amsterdam komen om daar o.a. zijn vriend Willem Witsen en vrouw te zien, die al snel naar Nederlands Indië zouden vertrekken. Eind 1921 ging Israëls zelf naar Nederlands-Indië voor een jaar
  • „En ongelukkig is het hier net het eenige plaatsje op Java waar ik tenminste, bij den prangwedono [Vorst] hier, nog een paar studietjes kan maken. Die prangwedono die eerst - trouwens met de beste bedoelingen - ontzettend officieel deed, kan ik er misschien wel toe krijgen mij doodgewoon in zijn paleis te laten rondscharrelen en zoo'n beetje te teekenen wat ik aardig vind. Zeker iets dat geen andere Vorst hier zou toestaan! Nu ik eenmaal hier ben dien ik er toch ook iets aan te hebben.”
  • Bron: Isaac Israëls, brief 25 december 1921, vanuit Hotel Slier, Solo, (Indonesië), aan Willem Witsen en zijn vrouw
  • Aanhaling(en): DBNL, 'Isaac Israels aan Willem Witsen en Augusta Maria Witsen-Schorr', in Volledige briefwisseling (1877-1923) - Willem Witsen
  • Israëls had sterk de neiging om tijdens zijn verblijf in Nederlands Indië bij hooggeplaatste mensen binnen te komen
  • „..om te schilderen is het hier [Nederlands Indië] prachtig. Ik schilder mij dan ook half dood [..] knoei soms allerverschrikkelijkst, eigenlijk overwerkt men zich hier gauw. Er is ook anders eigenlijk niets.”
  • Bron: Isaac Israëls brief vanuit Nederlands Indië 1922, aan Willem Witsen te Amsterdam
  • Aanhaling(en): Maartje de Haan, 'Isaac Israels en Raden Mas Jodjana: een Indische vriendschap', website Codart; Mesdagmuseum Den Haag, 2005
  • Eind 1921 vertrok Isaac Israëls voor een verblijf van een jaar naar Nederlands Indië en informeerde regelmatig zijn vriend Willem Witsen per brief
  • „Mijn eenigste buitenkans, behalve een paar kopjes van Javaantjes die ik verkocht heb is dat ik een schilderijtje van de danseressen van den Soenan (in Solo) voor f 1500 heb verkocht, 't moest dienen als hulde aan een vertrekkende Resident. Vertrekkende residenten (die dan cadeaux krijgen) zijn hier je eenigste kans,”
  • Bron: Isaac Israëls brief vanuit Weltevreden in Nederlands Indië, 5 juni 1922, aan Willem Witsen en Augusta Maria Witsen-Schorr te Amsterdam
  • Aanhaling(en): DBNL, 'Isaac Israels aan Willem Witsen en Augusta Maria Witsen-Schorr', in Volledige briefwisseling (1877-1923) - Willem Witsen
  • 'Kopjes' zijn hier portretjes van jonge Javaanse kinderen. Israëls verbleef een jaar lang meestal in hotels in Nederlands Indië; wat prijzig zal zijn geweest
  • „Och, toen ik het kreeg [een lintje] was ik zeer verheugd, maar al gauw dacht ik: wat heb ik er nou eigenlijk aan? 'k Heb het veel te laat gekregen. Ik had dat moeten hebben in den tijd, dat ik bij Carré veel werkte; zoo'n orde op je jas kan je dan allerlei faciliteiten bezorgen, 't maakt indruk op de buitenwereld.”
  • Bron: Isaac Israëls, opmerking tegen W. Steenhoff, 1926
  • Aanhaling(en): W.J. Steenhoff, 'Isaac Israëls', in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 36, 1926, p. 11
  • Van circa 1890 tot 1895 maakte Israëls vaak schetsen in theater Carré, aan de Amstel te Amsterdam, zoals deze van een 'Koordanseres'

Citaten over Isaac Israëls - chronologisch[bewerken]

  • „[Israëls heeft enkele damesportretten geschilderd]..en heel goed. Ik geloof, dat ik 't niet zoo artistiek zou kunnen, maar hij beweegt zich nu eenmaal onder die lui, ik niet! Ik benij hem daarom, ofschoon 't dwaas van me is..”
  • Bron: G.H. Breitner, brief 1881, aan H.P. van Stolk; opgenomen in Rotterdamsch Jaarboekje 1935, p. 60
  • Aanhaling(en): , 'Kunstenaarsleven: Tachtigers omstreeks 1880' (II), in De Revisor. Jaargang 7, 1980, p. 38
  • Breitner was jaloers op de jonge Israëls, die al verschillende goede damesportretten had geschilderd, waar hijzelf niet aan kon tippen, volgens hemzelf. Omgekeerd was Israëls kapot van het schilderij 'Paarden in de Winter', van Breitner
  • „Men moet hem nu slechts zien werken, met opgestroopte hemdsmouwen, en bloote armen, voor honderde, neen voor duizende guldens aan materiaal vermorsend, als een gek werkend, om, al is men leek, te beseffen dat dit de manier niet is! [..] Nu heeft hij zijn talent vermoord, hij is met zijn kunst op een dwaalweg geraakt, - hij zit in de modder, hij zal er nog voor goed in omkomen, ten zij hij weer dezelfde rustige eenvoudige schilder-burger wordt van voorheen”
  • Bron: Aleida Israëls-Schaap, Den Haag 1888, brief aan Albert Verwey
  • Aanhaling(en): NW Knotter, ‎'Isaac Israëls (1865-1934)', op website OWG II, 2013
  • Moeder Israëls schreef deze brief omdat zij gealarmeerd was door berichten over haar zoon die dan net in Amsterdam aan het schilderen is gegaan in cafés, dansgelegenheden en op straat. Ook exposeerde hij toen weinig, wat zijn moeder extra bezorgd maakte
  • „Het is [..] een ongelukkig zwak van ouders, altijd de vermeende tekortkomingen van hun kinderen toe te schrijven aan de invloed van anderen. Volgens uwe verklaring houdt gij elke schilder die er niet voor zorgt dat hij behoorlijk bij kas is, een fatsoenlijke vrouw trouwt, kinderen krijgt en in zijn stand opvoedt – voor een knoeier en een stumper.”
  • Bron: Frederik van Eden, brief Bussum 20 juni 1888, aan Aleida Israels Schaap
  • Aanhaling(en): Frouke van Dijke, 'Voorsteden en Achterbuurten' in Rumoer in de stad – De schilders van Tachtig, Gemeentemuseum Den Haag / WBooks 2017, p 14; ISBN 9789462582071
  • Moeder Israëls had behalve Verwey ook Frederik van Eden ongerust geschreven over haar zoon in het 'ruige' leven van Amsterdam, met de 'slechte' invloed van zijn vrienden, de Tachtigers
  • „Zoo heeft hij de meid van den Zeedijk gecreëerd, zie b.v. die bewonderingswaardige teekening, dat vaporeuze blauw van haar blouse, de blonde over het voorhoofd hangende lumineuze lokken, die zacht wellustige bovenlip, en die fijne bijna etherische wangenblos. Maar dat alles is niets, doch het leven, het leven van dat gezicht is de onpeilbare diepte der realiteit: dat is het eenige, dat niemand kan beschrijven, maar wat men moet zien of op woord gelooven.”
  • „..wanneer hem dan de schemering de stad in drijft dan heeft hij zielskrachten genoeg zich in de menschen massas der Kalverstraat en Nieuwendijk te bewegen in het trotsche zelfbewustzijn van die menschen allen als modellen voor zich te laten defileeren. Want hij is bekend bij het Amsterdamsche publiek van dienstmeid, bakkersjongen en slagersknechts als 'de Schilder' en het is dikwijls geen recommandatie bij deze menschen met 'den Schilder' te zijn gezien. Zij zijn meestal min of meer vijandig.”
  • Bron: Frans Erens, 'Isaac Israëls', in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 10, 1900, p. 9
  • Aanhaling(en): Frans Erens, op elsevier.x-cago.com, p. 10
  • Erens beschrijft de lastige relatie die Israëls had met het publiek op straat, en de vrijheid die hij nam om ter plekke te schilderen en schetsen
  • „Isaac was met mij en had over de kleur te reclameeren, maar ik kan daar best over heen stappen. Als een kunstwerk één groote eigenschap heeft, is dat voldoende.”
  • Bron: Jozef Israëls, brief Den Haag 1903, aan Jan Veth
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'De portretschilder II', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 392
  • De opmerking van de al oude Jozef Israëls slaat op zijn portret van Prof. De Hartog. Zijn schilderzoon Isaac kwam langs en had er kritiek op
  • „Ik had een goed model gevonden en geschilderd. Maar ik was ontevreden, want ik vond dat het niet op de goede plaats zat. En zoo zwierf de figuur over het doek heen en weer tot ze de plaats en de houding vond die ze nu heeft. Maar ik voelde mij ook toen nog niet zeker, zette het doek op zij en wachtte [..] Ondertusschen kwam mijn zoon [Isaac Israëls] eens over uit Amsterdam. Hij zag het doek en werd flink boos: "Houd nu toch eens op met daaraan door te werken, anders wordt het nooit goed."”
  • „Om toegang te hebben tot de werkplaatsen van iemand als Paquin, moet men een introductie hebben en ook dan nog zijn zulke voorname dameskleermakers bevreesd, dat het schilderen slechts een voorwendsel is om de nieuwe modellen te stelen. Is deze vrees overwonnen en wil Isaäc Israels een paar 'ouvrières' schilderen zooals zij de laatste minuten vóór het volle uur nog op straat loopen te praten of een brief lezen, dan moet hij hiervoor de toestemming van de Première op hun zaal vragen, die de twee bedoelde naaistertjes dan een uur of een paar uur vrij geeft. Evenzoo met de essayeuses, met de mannequins..”
  • Bron: G.H. Marius, 'Isaäc Israels', in Onze Kunst Jaargang 15; L.J. Veen, Amsterdam 1916, p. 143
  • Aanhaling(en): DBNL, Onze Kunst. Jaargang 15
  • Mevr. Marius beschrijft de moeite die Israëls ervoor over had in Parijs, om die modellen te kunnen krijgen die hij het liefst wilde schilderen: de naaisters van de mode-ateliers
  • „Intusschen kwam Isaac Israels, die ook bewondering had voor de beweging en de kleur der costuums v/d Jav. [Javaanse] dansers op het idee om een schilderij van mij als danser te maken. Doch in plaats van één schilderij is het geworden 'eenige schilderijen' en hierdoor raakte ik met Israels bevriend. Dikwijls kwam ik hem opzoeken, ook wanneer ik niet behoefde te poseren. [..] Trouwens in het begin kon ik het werk van Isaac Israels ook niet waarderen..”
  • „Breitner ondergaat de indrukken in een dramatischer gestemdheid en zijn expressie is klemmender; hij ziet een vaster statuur aan de wisselvalligheid der verschijningen en verleent ze een imposanter gedaante. Israëls is geestiger en bewegelijker in zijn opmerken - 'k zou haast zeggen: lakonischer. Daarom ook is er in Breitner's schilderijen vaster gebondenheid, terwijl bij Isaac Israëls de samenhang schommelender is, dreigend soms uiteen te fladderen.”
  • Bron: W.J. Steenhoff, 'Isaac Israëls', in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 36, 1926, p. 6
  • Aanhaling(en): DBNL, Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift
  • Breitner en Issac Israels schilderden vergelijkbare onderwerpen in de oude stad van Amsterdam. Verschil tussen hen was wel dat Israëls ter plekke op straat stond te schilderen, wat Breitner niet gauw deed
  • „Hij schildert zijn schilderijen onder nog al bezwaarlijke uiterlijke omstandigheden. Hij zet zijn ezel neer op alle plaatsen, die 't allerminst geriefelijk zijn tot rustig werken, naar het model, midden in 't verkeer, aan het strand, in de stad, in café's bij dag- en kunstlicht. Hij is de schilder, die zich zelf niet ziet - daarvoor heeft hij geen tijd, en naar anderen [collega-schilders] zien zou hem maar afleiden.”
  • Bron: W.J. Steenhoff, 'Isaac Israëls', in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 36, 1926, p. 12
  • Aanhaling(en): DBNL, Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift
  • Er waren niet veel eigentijdse schilders die zo midden in de stad stonden te schilderen; de meesten werkten in hun atelier naar hun schetsen het definitieve schilderij uit, of naar foto's zoals Breitner veel deed

Galerij van werken[bewerken]

Externe links[bewerken]