Anton Rooskens

Uit Wikiquote
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Anton Rooskens (Griendtsveen, 16 maart 1906 – Amsterdam, 28 februari 1976) was een Nederlands kunstschilder en metaalleraar op de Don Boscoschool in Amsterdam. Als schilder was hij autodidact.

Citaten van Anton Rooskens[bewerken]

  • „Op zekere dag [1947-48] kreeg ik bezoek op mijn atelier van Eugène Brands en Klinkenberg; men was bezig een tentoonstelling samen te stellen van jongeren (Rooskens was 17 jaar ouder als Appel!!), welke in het Stedelijk Museum [Amsterdam] zou plaatsvinden.”
  • Bron: Anton Rooskens, 'De a van Cobra',
  • Aanhaling(en): Ed Wingen, Anton Rooskens, Uitgeverij van Spijk B.V. Venlo-Holland, 1976; ISBN 90 6216 171 5, p. 27
  • „Andere schilders, die zich experimenteel noemen, herhalen zich; ik voel daar niets voor. Als er in één doek iets leeft, kan ik het niet voor de 2e keer doen.”
  • Bron: Simon Vinkenoog, tekst over Anton Rooskens, Rotterdam, 1962
  • Aanhaling(en): Ed Wingen, Anton Rooskens, Uitgeverij van Spijk B.V. Venlo-Holland, 1976; ISBN 90 6216 171 5, p. 148
  • Simon Vinkenoog zag dit als een positieve 'handicap' van Rooskens. Waar het de internationale kunsthandel te doen was om een herkenbaar beeldmerk voor iedere schilder op de markt, bleef Rooskens' imago volgens hem ongrijpbaar


'De a van Cobra', 1963
  • De citaten komen uit de autobiografische tekst 'De a van Cobra', door Rooskens geschreven voor de catalogus bij zijn solotentoonstelling in galerie Delta te Rotterdam, in 1963
  • „Grothauzen [..] gaf me olieverf en moedigde me aan te gaan schilderen [..] in m’n vrije tijd [circa 1921] schilderde ik in het begin hoofdzakelijk kopieën van oude meesters, later ging ik erop uit, de natuur in. In Venlo heb ik verscheidene steegjes geschilderd. Ja, die Grothauzen was een echte mentor.”
  • Grothauzen was zijn chef op de mechanische werkplaats van de Pope gloeilampenfabriek in Venlo; Rooskens was toen c. 15 jaar oud
  • „In Brabant was je verstoken van de moderne kunst. In Amsterdam [1934] zag ik de collectie Regnault, de werken van Picasso, Braque [..] en van Permeke. Wat ik toen zag greep me zodanig aan, dat ik besloot in Amsterdam te gaan wonen, ik wilde de ontwikkeling in de kunst volgen [..] Ik wilde weg uit het benauwende provincialisme.”
  • Rooskens groeide op in Venlo en kreeg vandaaruit wel kennis van Vlaamse eigentijdse schilders zoals Permeke, die hij toen erg bewonderde en in 1934 ook opzocht
  • „Het leek we alsof alles stil stond, contact met anderen was er nauwelijks. Het atelier was je toevluchtsoord. [..] In dit isolement begon ik de indrukken van de schilderijen die ik in het Stedelijk Museum had gezien op me in te laten werken, langzaam begon ik te abstraheren.”
  • Rooskens heeft het over de periode tijdens de Duitse bezetting 1940-45 dat hij in Amsterdam woonde; hij was leraar en schilderde]
  • „Toch werd 'Kunst in vrijheid', het begin van de voorgeschiedenis van Cobra. Ik werd hier voor het eerst geconfronteerd met de voorouderbeelden uit Nieuw-Guinea; deze gaven mij een zodanige schok, dat ik mij de eerste tijd nergens anders mee kon bezig houden. Het was het begon van een jungle-avontuur. In 1946 vervaardigde ik o.a. [..] 'Les gens du soleil', [..] met reminiscenties aan Afrika en Nieuw-Guinea.”
  • 'Kunst in vrijheid' was de eerste kunsttentoonstelling na de bevrijding, die in 1945 in het Rijksmuseum te Amsterdam werd gehouden, waar hij voor het eerst in zijn leven de beelden uit Nieuw-Guinea zag
  • „Intussen had ik meer regelmatig contact met Karel Appel, Corneille en ook met Eugène Brands.. Wij bezochten elkaar ateliers en wisselden met elkaar van gedachten. Wij experimenteerden, het is in deze tijd dat er maskers en andere primitieve attributen in ons werk opduiken. [..] Er waren plannen voor de oprichting van een groep en men vroeg mij of ik wilde meedoen. Op 16 juli 1948 werd ten huize van Constant de "Experimentele Groep" opgericht. Corneille werd tot voorzitter gekozen, Constant werd secretaris en ik penningmeester.”
  • „..iedere week kwamen wij bijeen. [..] Het werd een goede gewoonte het nieuwste werk mee te brengen ter discussie. Dit heeft er niet weinig toe bijgedragen, dat reeds zo spoedig de zo typische stijl ontstond, kenmerkend voor de groep. Bij [galerie] 'Van Lier' op het Rokin kwam een tentoonstelling met werk van Appel, Constant en Corneille [..] Het contact met de buitenlanders was het werk van Constant. Hem komt de eer toe de internationale aansluiting tot stand te hebben gebracht. Hij bracht de groep in contact met Asger Jorn en Christian Dotremont
  • „Ik dacht er de magie te vinden, maar trof er alleen toeristische attracties aan. Het was er warm en stoffig en de westerse beschaving was al aardig opgerukt.”
  • Citaat slaat op zijn reis in 1954 door Afrika: Egypte, Kenia, Oeganda en Belgisch Congo, incl. een solotentoonstelling in Nairobo. Hij was teleurgesteld over het 'land van zijn dromen' dat hij nu pas in het echt meemaakte
  • Bron: Anton Rooskens, 'De a van Cobra', in catalogus 'Anton Rooskens: 1949 Cobra 1951', uitgeverij Galerie Delta, Rotterdam, 1963
  • Aanhaling(en): Ed Wingen, 'Biografie, feiten en herinneringen', in Anton Rooskens, Uitgeverij van Spijk B.V. Venlo-Holland, 1976; ISBN 90 6216 171 5, pp. 161-182

Citaten over Anton Rooskens[bewerken]

  • „laat het zichzelf maken / laat het zichzelf steelsgewijs / als het oog de stèle van het licht / vormen in luchtige vormen.”
  • Bron: Lucebert, tekst 'Vluchtschrift voor Anton Rooskens', bij expositie 'Rotterdamsche Kunstkring' Rotterdam, september 1962
  • Aanhaling(en): Esther Schreuder, 'Cobra en Vrij Beelden lid Anton Rooskens: 40 jaar geleden gestorven', 14 februari 2016
  • Lucebert wilde Rooskens in deze korte tekst meegeven dat het schilderij zichzelf maakte met een eigen wil en een eigen groot verlangen, waarmee het werk de materie van de verf al van het begin af aan beheerst en stuurt tijdens het maken
  • „..en om weer hier aan te landen: uit elk schilderij van Rooskens, die dan niet door het heelal trekt [zoals Appel], en aan wiens werk geen films worden gewijd [zoals Lucebert] spreekt dezelfde onontkoombaarheid: het is eenvoudig niet anders, het kàn niet anders, het is. Een scheppingsproces werd aan deze schilderijen voltrokken, dat zich voortzet tot op het ogenblik dat wij er naar kijken – wat het (voor mij althans) stempelt tot kunst in de goede, ware en enige betekenis van het woord.”
  • Bron: Simon Vinkenoog, losse tekst in 'Vluchtschrift voor Anton Rooskens', Lucebert; expositie 'Rotterdamsche Kunstkring' Rotterdam, september 1962
  • Aanhaling(en): Ed Wingen, Anton Rooskens, Uitgeverij van Spijk B.V. Venlo-Holland, 1976; ISBN 90 6216 171 5, p. 148
  • Vinkenoog schetste poëtisch het werk van Rooskens: 'Op zwarte schimmels rijden dolle en duivelse dolfijnen [..] Er wordt op leven en dood gevochten om de vraag: wat is geel?'
  • „Een vergadering ten huize van Eugène Brands staat mij nog heel goed bij. Constant vroeg de verzamelde leden Anton Rooskens te royeren omdat hij katholiek zijnde en nog steeds ter kerke gaande niet revolutionair was. Brave Anton was natuurlijk afwezig, die peesde zich af die middag als leraar op een ambachtsschool. Dat ging mij en gelukkig ook iedereen van de aanwezigen te ver, maar het was voor mij ook wel een les.”

Externe link[bewerken]