Roger Raveel

Uit Wikiquote

Ga naar: navigatie, zoeken

Roger Raveel (1921) is een Belgische kunstenaar die na W.O. 2 bewust afstand nam van het Vlaams expressionisme en in zijn schilder- en tekenenkunst tussen figuratie en abstractie consequent zocht naar eigentijdse vormen van waarneming. Hij wordt wel betiteld als Popart-kunstenaar maar neemt daar zelf nadrukkelijk afstand van. Raveel streefde naar een modern humanisme in zijn schilderkunst.:


  • 'Ik wil dingen in tijd en ruimte zien. Ik was mij vrij vlug bewust, reeds in 1952, dat mijn schilderijen niet eindigden bij het oppervlak en bij het kader. Een Pollock maakt iets op doek, en wij blijven toeschouwer. Voor mij moest het ding zelf, dus niet enkel wat er op afgebeeld staat, in relatie tot tijd en ruimte staan...'
  • 'De kunst heeft je onnoemelijk veel bijgebracht en je denkt voortdurend aan het werk van de oude en moderne meesters. Maar nu kan het je niet meer helpen. Je staat alleen met je ervaringen en je belevingen. Je dient nu anders te kijken. En je kijkt en kijkt en kijkt en je tekent en je schildert, maar anders dan men je geleerd heeft te kijken, te tekenen en te schilderen.'(1996)
  • 'Wat mij vooral in Mondriaan aansprak was dat hij .. ..als het ware de innerlijke structuur van het leven wilde zichtbaar maken, in beeld brengen. Ik was zeer blij dat ik dat niet moest doen, want lang de ene kant heb ik een zeer grote bewondering voor Mondriaan, maar langs de andere kant een groot medelijden, omdat hij door te denken tot resultaat kwam, en niet door te zien. Het is zeer goed dat anderen dat doen, maar dat is aan mij niet besteed.'
  • 'In 1952 bracht ik reeds een stukje metaal aan op het doek. Eigenlijk had ik pop-art niet nodig. Men heeft mij ontdekt en leren appreciëren via pop-art. In 1962 pas heb ik voor de eerste keeer iets gezien van Rauschenberg (Amerikaanse pop-art kunstenaar, fh).. ..In feite was ik al bezig met pop-art van in de academie. Er was in Gent een winkel moet moderne spullen en wat kitsch. Ik stond daarvoor in bewondering. Maar een moderne koffiekan was toen uit den boze. Door mijn oog voor dat soort nieuwe voorwerpen was ik reeds in de geest van pop-art'
  • 'Ik had eigenlijk al vanaf mijn studententijd opgemerkt dat ik vanuit een andere interessesfeer keek dan de medestudenten.. ..zo rond 1948 heb ik daar echt werk van gemaakt. Ik besloot weer helemaal opnieuw te beginnen, om een zekere virtuositeit te onderdrukken. Ik kon technisch snel en vaardig tekenen en schilderen, maar dat was te gemakkelijk geworden. .. ..ik weet nog goed dat ik toen bewust zei: kijk, nu weet je niets meer, nu kan je niets meer, nu begin je helemaal opnieuw. Ik wilde mijn belangstelling aftasten.' (1996)
  • 'Niet dat ik alles al gezien had (rond 1950, fh) maar ik was toch vrij behoorlijk geïnformeerd. Ik wist van het abstracta-expressionisme af, en van Cobra: via Hugo Claus had ik Corneille en Karel Appel leren kennen. Maar ik wilde niet op die wagen (van de Cobra, fh) springen. Ik wilde me in de breedte uitzetten.' (1996)
  • 'Ik wilde (na 1948) vooral via het kijken tot een dieper inzicht komen. Het leek wel alsof er op dat moment niemand meer echt keek. Ik had het gevoel dat je als moderne mens in een technische wereld .. ..als kunstenaar een nieuwe, eigentijdse visie kon ontwikkelen.' (1996)
  • 'Een portret van (Jan) Van Eyck blijft – hoe realistisch gelijkend en psychologisch doorleefd het ook zijn mag – een weergave van de mens vanuit een christelijk perspectief. En bij Rembrandt voel je het humanisme; Erasmus is in de buurt. Op die wijze wilde ik ook mijn tijd, mijn moderne manier van kijken vastleggen en voelbaar maken. Wij kijken en nemen niet meer waar zoals de generaties voor ons.'(1996)
  • 'het ging me in eerste instantie niet om die moderne materiële wereld, maar om die nieuwe geestelijke gevoelsmatige houding, die eigentijdse mentaliteit.. .Tekenen en schilderen moeten voor mijn gevoel heel dicht bij mijn manier van leven en denken staan: ik wil werken zoals ik eet, adem.' (1996)
  • 'Pas daarna (na zijn tekeningen uit 1948) ging ik me meer en meer concentreren op de weergave van de optische realiteit. Vooral de verschuiving van de optische identiteit van de dingen, onder invloed van tijd ruimte en licht. Door weg te nemen en toe te voegen; de veranderende waarneming onder invloed van licht en schaduw, plaats en afstand – en de onderlinge beïnvloeding van die elementen, de wisselwerking daarvan.' (1996)
  • '..ik had al vlug gemerkt dat zowel in de tekeningen als in de schilderijen leegtes ontstonden: leegtes als gevolg van de vaststelling dat een ding – door te weinig of te veel licht bijvoorbeeld – zijn identiteit volledig kan verliezen. Daardoor ontstonden gaten in de atmosfeer van de tekening, leegtes in de picturale ruimte van het schilderij. Dat heeft me later doen besluiten om mijn schilderijen als het ware actief te doen uitvloeien in de omgeving, in de realiteit: met spiegels objecten, dieren..' (1996)
  • 'Toen (rond 1952, fh) heb ik veel tekeningen gemaakt die uitsluitend het platteland en de natuur tot onderwerp hadden. Dan koos ik bewust een stukje landschap dat bijvoorbeeld Gust de Smet geschilderd zou hebben. Schilderen kon ik dat niet; dat was het terrein van de Vlaamse expressionisten. Dat was voor mij niet meer belangrijk. Maar ik wilde het wel tekenen; juist om te kijken wat het verschil was, hoe ik dat nu zag.' (1996)
  • 'Die betrachting om de dingen zo intens mogelijk te doen is voor mij essentieel, en dat leidt ook wel eens tot momenten van mystieke aard; het mysterieuze boeit mij zeer. Soms leidt dat tot gevoel dat ook Mondriaan moet hebben gehad, dat je de innerlijke structuur van de dingen aanvoelt.' (1996)
  • 'Om het felle witte licht op een wit kopje in een stilleven te vangen zet ik er juist dikke zwarte bollen op. Die plekjes krijgen daardoor een volstrekt eigen uitdrukking. Net zoals sommige arceringen bij Van Gogh een eigen betekenis krijgen, die korte streepjes die hij op bepaalde plaatsen neerzet, die zijn meer dan zomaar een gestileerde weergave van gras. Dat boeit me zeer.' (1996)
  • 'Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik op weg ben, en dat ik enorm veel moet beleven om tot een grotere synthese te komen. Zelf wordt je rijper en bijgevolg minder dogmatisch; en ik ben steeds geboeid geweest door wat er om me heen gebeurde en identificatiemogelijkheden gezocht waar die te vinden waren. Tot en met de conceptuele kunst toe, alhoewel ik alle probleemstellingen steeds in het schilderkunstige heb willen opnemen.' (1996)
  • 'Nu (rond 1996, fh) kan er veel naast elkaar. Die pluriformiteit vind ik heel boeiend. Evenals het feit dat de utopie van het internationalisme vervangen lijkt door de herwaardering van het feit dat men juist universeler wordt wanneer men vertrekt vanuit zijn eigen culturele identiteit.. ..ik houd van universele kunst die verschillend gekleurd is vanuit de eigen identiteit; van het feit dat verschillende mensen dezelfde dingen op een andere wijze verbeelden. En dat relativerende denken, dat maakt dan weer deel uit van mijn eigen Vlaamse identiteit.'(1996)


Bron

  • 'Roger Raveel' monografieen over moderne kunst - Gemeentekrediet, 1996





Mensen - Spreekwoorden - Thema's
Persoonlijke instellingen