Heraclitus

Uit Wikiquote
Ga naar: navigatie, zoeken

Crystal package settings.png   Dit artikel bestaat hoofdzakelijk uit citaten zonder bronvermelding, zonder uitleg en zonder context.

Deze pagina voldoet eigenlijk niet aan de de minimale eisen die gesteld worden aan een artikel op Wikiquote. De juistheid van de citaten op Wikiquote, maar bijzonder op deze pagina, worden niet gegarandeerd.
LET OP: Gelieve geen nieuwe bronloze citaten aan deze pagina toe te voegen. Deze kunnen zonodig op de overlegpagina van deze pagina worden toegevoegd, onder een hoofdje {{onvolledig}}
Heraclitus geschilderd door Johannes Moreelse

Heraclitus (Efeze, rond 450 v. Chr.) (Grieks: Herakleitos, vroeger in het Nederlands Heracliet) was een Grieks filosoof, een van de Presocratici. Hij was een eenzelvige man. Hij minachtte alle mensen op één na, Teutamus. Deze is bekend om zijn uitspraak dat de meeste mensen slecht zijn. Herakleitos was ervan overtuigd dat de mensen alleen onder dwang datgene doen wat goed voor hen is.:

  • Alle dingen zijn inwisselbaar tegen vuur en vuur is inwisselbaar tegen alle dingen, zoals goederen tegen goud en goud tegen goederen.
  • De bliksem bepaalt de baan van alles.
  • Oorlog is de vader van allen en koning van allen; sommigen laat hij goden zijn, anderen mensen; sommigen maakt hij tot slaven, anderen vrij.
  • Ziekte maakt gezondheid aangenaam en goed; hetzelfde geldt voor honger en bevrediging, en voor vermoeidheid en rust.
  • Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen, want steeds zal er ander water stromen.
  • De weg omhoog en omlaag is een en dezelfde.

Hier volgen nauwelijks bekende uitspraken van Heraclitus, waarvan de authenticiteit (ten onrechte) wordt betwist.

  • samengeperst vuur (de sterren).
  • De sterren worden gevoed door de opdampingen uit de aarde.
  • De verstandelijke vurige massa uit de zee is de zon.
  • De ene (opdampingen) zijn helder en zuiver, maar de andere donker.
  • Het vuur vermeerdert door het heldere, maar het vochtige door het andere.
  • Er zijn kommen (in het hemelgewelf), naar ons toegewend met hun holle zijde, voor de vlammen der hemellichamen.
  • Het helderst en het warmst is de vlam van de zon; maar de sterren staan verder van de aarde af, de maan echter dichter bij de aarde.
  • Want er zijn werkelijk kommen, voor de schijngestalten, maar de opneming der hemellichamen van de opdampingen uit vocht, brengt een schittering teweeg die (de geest) doet verlichten, via de edele schijn, het meest stralend is verder de zon, want deze pleegt zich in de meest zuivere lucht te begeven, maar de maan in de troebele, vandaar dat zij ook gedempt schijnt.
  • Met hun holle zijde gaan deze (silc. deze kommen) opwaarts en met hun bolle zijde neerwaarts vanuit het andere gezichtspunt (over de verduistering van zon en maan).
  • Er is een kom voor de maan.
  • Dag, nacht, maanden, seizoenen, jaren, regen, wind (onstaan door de opdampingen).
  • Het warme, dat door het heldere vermeerdert, brengt de zomer teweeg, maar het vochtige, dat door het donkere meer wordt, de winter.
  • Het heldere brengt de dag teweeg, maar het <andere> de nacht.
  • Donder ontstaat door het samengaan van wind en wolken en het spuwen van lucht naar de wolk, maar bliksem door het aansteken van wat opgedampt is, gloeiende wervelwind echter door het ontvlammen en uitdoven van wolken.
  • De hemel bestaat uit vuur.
  • De sterren gaan aan en doven uit.
  • De zon dooft uit <en> ontvlamt weer.
  • instemming en vrede (: wat de dingen in een brand laat opgaan).
  • Voor hen die waken is er één en een gemeenschappelijke wereldordening, van de slapers wendt ieder zich naar het particuliere toe.
  • ... dat zij (silc. de slapers) meewerken aan wat er in deze wereldordening geschiedt.
  • Zij vermengen kolen met het vuur, en bij de verandering worden deze gloeiend, maar zij worden uitgedoofd door afscheiding.
  • ... die vergeet waarheen de weg voert.
  • ... als kinderen van hun ouders,
  • Alles wordt ooit vuur.
  • Kom daarin binnen als de onbevreesden: want er zijn ook dáárin goden (silc. in de oven).
  • ... daarvan is het schoonste de ordening (silc. van wat “lukraak” is uitgestort).
  • Onbewogen schift ook de roerdrank.
  • ... dat de natuur van alle dagen één is,
  • Eén generatie is één maand.
  • De mensen beginnen volwassen te worden rond hun veertiende,
  • Als hij dertig jaren is kan een man het vermogen krijgen grootvader te worden.
  • Het grote jaar: achttienduizend zonnejaren, (daaruit gaan vijf, zestig en dertig jaren, wat zelf jaren zijn).
  • Het grote jaar: tienduizend achthonderd zonnejaren.
  • Nachtlopers, Magiërs, Bacchanten, Meanaden, Mysten (: zij zijn die hij drijgt met wat na de dood komt, aan hen voorspelt hij het vuur).
  • Dezelfde gebruiken der mensen zijn onheilig.
  • ... tot de Egyptenaren:) als het goden zijn, waarom zijn zij dan bedroefd?
  • Tot beelden van demonen bidden zij (silc. de Hellenen,) die zij niet horen zoals deze te horen zijn; zij geven geen vergoeding, zoals dat te eisen is.
  • ... dat zijn geneesmiddelen, (omdat deze het kwaad genezen en de zielen buiten bereik doen stellen van rampen die deze bij de geboorte waren overkomen.)
  • Offers door volstrekt gezuiverde mensen gebracht...) wat bij één misschien ooit bij uitzondering geschiedt,
  • ... dat het voor zielen een verkwikking is, niet de dood, vochtig te worden.
  • ... dat de mening een heilige ziekte is.
  • Zoals een spin in het midden van haar web het merkt, wanneer een vlieg sommige van haar draden vernielt en daarom daarheen rent, alsof zij zich om de draad vervolgens gebelgd voelt, zo gaat de ziel van een mens, wanneer er een kwetsuur ontstaat daarheen haastig.
  • ... dat het tegenstrevende samenkomt.
  • Homerus sprak de wens uit: moge de twist uit goden en mensen verdwijnen; hem ontgaat dat alles dan ineen zou storten, (uit strijd en onenigheid heeft het de geboorte).
  • sterrenkúndige was Homerus,
  • Het goede en het slechte is hetzelfde,
  • De weg op en neer neemt de zielen in doortocht op en deze gaan daarlangs weg en dringen daarin binnen.
  • Kinderen zullen van hun speelgoed, eenmaal mannen geworden, afstand doen (over de overtuigingen der mensen).
  • ... dat de honing bitter is voor mensen met geelzucht, en zoet voor gezonde mensen.
  • Want de ziel gaat naar de in het alles voort te jagen zielen, naar het gelijke.
  • demonen (in het al).
  • ... dat het denken vuur is.
  • ... dat de ziel een vonk is van <het vuur> der sterren.
  • ... dat de zielen opdampen; eeuwig worden zij verstandelijk,
  • Het mocht niet zo zijn dat de mensen redelijk zijn, zij zijn alleen van begin af aan het verstand gehecht:
  • De mensen zijn in overeenstemming met hun natuur redeloos:
  • Een man die de verwekker en de vergankelijke is, is één en dezelfde.
  • Maar volgens de verhouding der perioden worden er zeven opgeteld bij de maand, en afgetrokken volgens die van de Grote en Kleine Beer, onvergankelijk is het gedenkteken daarvan in het teken.
  • Het ene en het andere vermeerdert eeuwig, al naar gelang zijn behoefte.
  • Het is niet gepast zo grappig te zijn dat men zelf als grap gezien wordt.
  • De vordering van de menig is een verhindering.
  • Eerbetoon onderwerpt goden en mensen.
  • Slechte mensen zijn de tegenstanders der waarachtigen.
  • De jeugd is een tweede zon voor hen die zijn opgevoed.
  • De kortste weg naar de roem is goed worden.
  • De zielen van hen die sterven in de strijd zijn zuiverder dan die van hen die sterven door ziekten.
  • Niet doordat alles één is, zal de logos zijn, maar door niets.
  • Maar door een teken aangegeven zal de besluitvaardigheid van de god voor hen zeer duidelijk zijn.
  • Want de natuur begint vanuit onenigheid, met twee ingangen daarvan vormt zij kentekenen.
  • Niet in het menselijke, maar samengesteld in de god (over woorden van de Sibille).
  • Het dampt op zoals in het geheel en in het lichaam.
  • Droogtes en ook stortregens zijn de wisselingen van het uitspansel.
  • Als ik weet wat de natuur van de wereldordening is, weet ik ook die van de mensen, weet ik van ziekte, weet ik van gezondheid; ik heb mijzelf genezen: ik heb de god nagebootst. Zo er in de wereldordening een wanverhouding is: opstellen tegenover de zon die er staat. Niet ik overwin de ziekte, maar de besluitvaardigheid overwint de ziekte voor mij; en in het al droogt het vochtige op, het warme wordt koud. Ik ken de wijsheid, de wegen der natuur, ik weet ook van het ophouden der ziekte.
  • De geneesheren zeiden, volgens hun woord, dat zij niet bij machte waren mij van ziekte te genezen, noch in te zien hoe uit stortregen droogte kan ontstaan. Zij weten niet dat de god in de wereldordening het grote lichaam geneest, zich opstellend tegen de wanverhouding daarvan. Het droge gaat in het vochtige op, en wanneer het ontbindt, zal dát opgesteld worden, en blijft het vroegere voortgestuwd worden, maar het latere staat stil. Dat zich inspannen van de wereldordening bewerkt genezing, dat boots ik na, voor mijn lichaam.
  • Zich afzonderend is het eeuwig samenkomend.
  • Het goede en slechte zijn hetzelfde.
  • Door vermenging van elkaars tegendelen (van het onbewogene).
  • Eén is de grens van alle dingen.
  • Dat is de kringloop van de wereldordening, opwaarts, neerwaarts, uit het eeuwige, naar het eeuwige.
  • Bij de geboorte is er de harmonische vermening (silc. van tegendelen).
  • Alles zou verdwijnen, vernietigd worden, (silc. als de wens van Homerus in vervulling zou gaan).
  • Natuur is de besluitvaardigheid die boven het woord staat.
  • Wisselingen zijn noodzakelijk, voortkomend uit de tegendelen; en de weg op en neer neemt de zielen in doortocht op, en voor hetzelfde zich inspannen is vermoeidheid, maar als zij uitrusten gaan zij veranderen.
  • Wanneer de vermoeidheid voor hen aanvangt, zullen de werkers volgen en opwaarts gaan, terwijl het al, van de god, samen met hen beweegt, worden zij bewogen en beheerst, terwijl het gemoed in ruste is, en weer aan het begin zal naar verwachting de ziel neerwaarts gevoerd worden.
  • Zij weeklagen en beschimpen de natuur, die noodzakelijkheid en oorlog is. Maar er wordt ook veel onrechtvaardig lijden beëindigd, terwijl ook de geboorte uit het onrechtvaardige komt, werken de doden samen aan het onsterfelijke.
  • De zielen bestaan uit vuur: immers, zij bewegen.
  • En dat alles <een wending maakt> naar warmte, en naar koude, en naar vermogen, wordt tegengehouden en verschaft.
  • ALLES STROOMT.
  • Vertaling van de betwiste uitspraken:
    • D.M.F. Casimiri.
  • Publicaties:
    • H. Diels & W. Kranz, Die Fragmente der Vorsokratiker, vol 1, 1903, hoofdstuk 12A.
    • Ferdinand Lassalle, Die Philosophie Herakleitos des Dunklen von Ephesus, 1858.
    • Friedrich Wilhelm August Mullach, Fragmenta philosophorum Graecorum, 1860, pagina 310-329.