Jan Veth: verschil tussen versies

Naar navigatie springen Naar zoeken springen
954 bytes toegevoegd ,  1 jaar geleden
citaat 1885 augustus
(citaat 1885 augustus)
| aangehaald = {{aut|J. Huizinga}}, [https://www.dbnl.org/tekst/_gid001192701_01/_gid001192701_01_0094.php 'Uit het leven van Jan Veth.'], in ''De Gids.'' Jaargang 91, 1927, p. 90
| opmerking = Albert Verwey, aan wie Jan Veth dit sonnet hetzelfde jaar nog toegestuurde, had sterke kritiek op juist deze regels; hij vond ze niet 'doorvoeld' geschreven: het sentiment moest volgens hem het gedicht dragen
}}
 
{{Citaat
| tekst = Ik ken de gebreken en deugden van mijn eigen werk nog niet. [..] Als ik mij zelf wel [= juist] ontleed, sta ik tusschen de jonge schilders, die ik ken, op een soort overgang. Knap is mijn werk niet, maar het bezit toch degelijker dingen dan dat van anderen, die echter iets veel artistiekers hebben. Zoo ben ik welbeschouwd niets, maar kan daarom toch misschien iets worden.
| bron = {{aut|Jan Veth}}, brief 9 augustus 1885,
| aangehaald = {{aut|Johan Huizinga}}, [https://www.dbnl.org/tekst/huiz003verz07_01/huiz003verz07_01_0043.php 'Vorming'], in ''Verzamelde werken. Deel 6. Biografie'', uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 350
| opmerking = De jonge Jan Veth troostte zich met wat een schilder hem gezegd had, dast hij erop rekende hem over tien of vijftien jaar te kunnen zien als een volgroeide kunstenaar. Met de 'jonge schilders' bedoelde hij de [[w:Amsterdams impressionisme|Amsterdamse Impressionisten]]
}}
 
2.770

bewerkingen

Navigatiemenu